Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1924-1930 Geschiedenis 1931-1940 Geschiedenis 1961-1970

Weemoed en kwade geesten

Nol Gregoor onderzocht in zijn boekje De jongen die Werther Nieland werd was toch de oorzaak mocht zijn dat Gerard van het Reve (later Gerard Reve) zich zo ongelukkig en eenzaam voelde gedurende zijn jeugd in de Ploegstraat. Het wordt om eerlijk te zijn niet duidelijk in het boekje waarom dat zo was. Gevraagd aan broer Karel, geeft deze aan dat Gerard zich in iedere buurt of omgeving even ongelukkig zou hebben gevoeld. Om toch een beetje te begrijpen waar het ongeluksgevoel, het gevoel van doem dat Gerard in zijn jeugd ervaarde, vandaan komt nemen wij hieronder een tekst over uit het boekje; een tekst die op zijn beurt weer een weergave is van hetgeen Van het Reve op 11 december 1963 op de AVRO-televisie sprak in het kader van een serie Literaire Ontmoetingen.

Zoals ik al zei ben ik in Amsterdam geboren, en wel in de Van Hallstraat nummero 25 één hoog, maar van dat adres heb ik geen enkele herinnering. Ik zal niet veel ouder dan één jaar geweest zijn toen we verhuisden naar de toen allernieuwste uitleg van Amsterdam, het tuindorp Watergraafsmeer, ook wel onofficieel Betondorp genoemd, waar zich het grootste deel van mijn jeugd heeft afgespeeld. Gedurende ongeveer twaalf jaren woonden wij in het hoekhuis, in een soort pleintje van de straat, in het huis Ploegstraat 57.

Over deze hele buurt, de huizen, tuinen, daken, straten, pleintjes, heeft altijd voor mij een sfeer gehangen van onpeilbare diepe, onontkoombare weemod. “Lat elke hoop varen, gij die hier opgroeit”, aldus zou ik mijn gevoelens kunnen samenvatten. En dat geldt voor de buurt, de huizen, maar het geldt in zeker even grote mate voor de scholen die ik mij herinner. De bewaarschool aan de Zaaiersweg, een vierkant fortachtig gebouw zoals de progressieve stijl van die tijd voorschreef, gelegen aan de Grote Wetering, aan de tochtsloot aan de rand van Betondorp tegenover de grote begraafplaats. Dezelfde weemoed kleeft ook aan het gebouw van de lagere school, de Rozenburgschool aan het Zuivelplein, nu, even als de andere gebouwen van hetzelfde complex, niet langer als school in gebruik.

Vrees, gevaar, eenzaamheid, de huizen evenzovele grotten en holen, bewoond door onberekenbare demonen, dat is eigenlijk mijn jeugd. Al kan ik met de beste wil van de wereld niet verklaren waarom het zo is, evenmin als ik zou kunnen verklaren waarom ik in mijn leven niet één gelukkige dag gekend heb. De aanblik van elk huis, van elke kamer waarin zich een deel van mijn bestaan heeft afgespeeld, doet mij nu eenmaal huiveren. Evenals ook de aanblik van het huis waarin zich een groot deel van de handeling uit de novelle “De vakantie” voltrekt.

Noch heb ik het mezelf kunnen uitleggen, noch heeft iemand anders me ooit kunnen duidelijk maken waaom nu die alleronnozelste, onbenullige herinneringen mij als het ware kwellen en bespoken, als evenzoveke kwade om wraak schreeuwende nachtgeesten. En waarom ze weigeren me met rust te laten. Zo ook overweldigt mij een eveneens onverklaarbare treurigheid als ik voor het huis sta van de jongen die model gestaan heeft voor de lange novelle, misschien wel mijn beste werk, de novelle “Werther Nieland”. Men hoort wel eens iemand zeggen: “Ik wou dat ik weer 12 was, dat ik nog 16 was, dat ik nog eens een keer 25 was”, maar ik niet. Ik zou voor niets ter wereld opnieuw 16, 18, 20, 30 of 35 willen zijn. En zeker niet 16.

Ik voel mij hopeloos verlaten,

En in de schemerige straten

Schommelt de sneeuw omlaag.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Een vreemde kostganger

De heer J.B. is in 1963 op 69-jarige leeftijd al enige jaren kostganger in de Veeteeltstraat bij de 67-jarige mevrouw J.C.M. van der Stek. Alhoewel de man al een tijdje aan het uitkijken is naar een ander kosthuis, is de verhouding tussen beiden volgens de buren redelijk te noemen. Wel zijn er soms luidruchtige ruzies wat betreft het al dan niet roken in huis, het al dan niet planten van plantjes in de tuin en andere kleinigheden.

Toch moet er tijdens de Pinksterdagen dat jaar iets ontzettend mis zijn gegaan. Wanneer de buren al een aantal dagen geen teken van leven meer zien, besluit buurman de Jong over het muurtje te stappen en via de achtertuin polshoogte te nemen. Wat hij aantreft valt niet mee. Mevrouw van der Stek ligt dood op de grond, gewurgd met een electriciteitssnoer. De heer J.B. op zijn beurt heeft zich in de deuropening van de keuken naar de gang opgehangen.

Op tafel wordt een briefje aangetroffen met als tekst “Wij zijn eruit gestapt”, met een lange lijst namen van familieleden die op de hoogte gesteld moeten worden, met de adressen erbij. Het blijft echter de vraag in hoeverre de vrouw vrijwillig de dood ingegaan is, omdat zij tevens een ernstige hoofdwond vertoont.

Volgens de buren had mevrouw van der Stek, weduwe, de heer J.B., die zij via een advertentie ontmoet zou hebben, al diverse malen verzocht het huis te verlaten. Deze was daartoe echter steeds niet bereid gebleken. Nu verlaten beiden gezamenlijk het huis; als stoffelijke overschotten weliswaar. De exacte gang van zaken in die Pinksterdagen van 1963 is, zover uw redactie bekend is, nooit veel duidelijker geworden.