Categorieën
Geen categorie Interviews Nieuws en interviews

Interview met Frank Stork

Door Rogier Schravendeel

Op 23 september 2022 ontmoet ik Frank Stork in de ruimte van Stichting Veerkrachtig Betondorp. Hij is bezig etenswaren te sorteren. Later op de dag zal hij bij een aantal mensen ook daadwerkelijk eten langs gaan brengen. Ik stel hem een aantal vragen.

Hallo Frank, leuk dat ik je mag interviewen. Wil je vertellen waar en wanneer je geboren bent en hoe je jeugd was?

Ja dat is goed. Ik ben geboren op 28 november 1958 aan de Bredeweg in Oud-Watergraafsmeer. Het was een erg gezellig buurtje. Mijn ouders hadden een vriendenclubje dat nog uit de oorlog stamde, “de kliek” heette dat. Dat zat zo: mijn vader werkte bij de Nederlandse bank, iemand anders weer bij de belastingen en samen distribueerden ze eten onder de armen van de buurt. Mijn hele jeugd gingen wij om met “de kliek”. Op zondag en één of twee keer per week gingen we op bezoek bij tante Rietje, oom Jan en hoe ze allemaal maar heetten. Ik had een heel stel oom en tantes om me heen die op me letten.

Was je enig kind?

Nee, ik was de jongste. Ik had nog twee broers en een zus. Mijn oudste broer is in de oorlog geboren. Ik ging naar de Hogewegschool. Daar zit nu de Frankendaalschool. Mijn moeder speelde daar elk jaar Zwarte Piet. Daar had ik niets van in de gaten. Ze zei dan dat ze even bij een of andere oom of tante langsging, verkleedde zich snel en was dan Zwarte Piet. Later werd ze afgeschminkt en dan kwam ze weer terug van tante of oom. En ik had het allemaal totaal niet door.

Emmakerk, nu De Bron

We zaten bij de [Nederlands-Hervormde, red.] Emmakerk, tegenwoordig De Bron. Daar probeerden we als kinderen natuurlijk op alle mogelijke manieren onderuit te komen.

Vroeger stopte ik op zondag mijn dubbeltje onderweg vaak in de snoepautomaat. Deden jullie ook dat soort dingen?

Ja, wij probeerden het dubbeltje te wisselen. Dan kon je toch iets in het zakje toen, en de rest gooiden we ook in de snoepautomaat, de kauwgomballenautomaat op de Hogeweg.

Ging je ook naar verenigingen? Deed je aan sport?

Ja, er werd heel wat afgesport. Op vrijdag hadden we ijshockey, op zaterdag honkbal en op zondag ging je zelf voetballen of ging je naar Ajax. En in de Jaap Edenhal was een grote concertzaal. Daar kwamen internationaal beroemde sterren, zoals Status Quo, Lionel Richie & the Commodores, en zelfs Bob Marley.

Na de lagere school ging ik naar de HAVO op de Nobelweg. Maar ik heb nooit het diploma behaald. Ik ging al vroeg werken, bij de Makro op de Spaklerweg, op de afdeling boekhouding. Dat ging goed. Af en toe deed ik een cursus. Ik had een goed leven. Onder de Koningskerk zat in die tijd een discotheek, die min of meer van de kerk uitging. Daar gingen we dan woensdagavond, vrijdagavond en zaterdagavond naar toe. Op mijn 24e trouwde ik. We gingen toen op de Middenweg wonen.

Speelde het geloof bij jullie thuis een belangrijke rol?

Nou, ik weet nog wel dat mijn oudste broer verkering had met een meisje dat katholiek was. Dat moest hij uitmaken van mijn ouders. Maar verder speelde het geloof niet zo’n grote rol. Mijn vader ging al niet meer naar de kerk. Mijn moeder wel. Ze zat ook bij het Rehobothkoor.

Wat grappig, daar heb ik zelf ook nog op gezeten.

Mijn moeder was ook de allereerste vrijwilliger bij Tabitha, aan de Van ’t Hofflaan. Dan ging ze met die oudjes zingen. Later werd ze kinds en toen kwam ze zelf in Tabitha terecht. Ze had altijd aangegeven dat, mocht er iets met haar gebeuren, dat ze dan naar Tabitha wilde. We hebben dat toen voor haar kunnen regelen. Ze overleed ca. 2010. Mijn vader was al in 2007 overleden.

Na de Makro kreeg ik via mijn vader een zogenaamde ´jongerenbaan´ bij de Nederlandse Bank. Ik leefde een gewoon leven. Ik heb drie kinderen en ben twee keer gescheiden. In 2008 overkwam mij iets totaal onverwachts. Toen ik Tabitha verliet, waar ik net mijn moeder bezocht had en in de Cliëntenraad zat, kreeg ik een hartstilstand. Ik schijn op straat gevonden te zijn door een mannetje van Tabitha die altijd een sigaretje van me kreeg. Ik heb drie dagen in coma gelegen.

Wat een heftig verhaal. Gelukkig heb je het allemaal overleefd. Heb je er iets aan overgehouden?

Ik ben zelf wakker geworden uit mijn coma, en nog wel op de verjaardag van twee grootvaders van me, 15 juni. Ik was hele stukken uit mijn geheugen voorgoed kwijt. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben toen afgekeurd. Uiteindelijk bleek het een bloedpropje te zijn geweest dat de boel verstopt had. Maar mijn leven lag wel helemaal overhoop. Daar ga je dan weer wat van maken.

Ik woon nu inmiddels op het Archimedesplantsoen en ik heb drie kinderen waar ik apetrots op ben. Twee werken er in de zorg en eentje is loodgieter. En ik ben actief geraakt in de Ouderen Advies Raad van Amsterdam Oost. Op een gegeven moment kwam het Stadsdeel er achter dat veel sociaal werk was weggevallen in de buurt en dat er sprake was van stille armoede. Mensen die wel de huur en gas en licht weten te betalen, maar thuis op een houtje bijten, dan hebben ze gewoon honger. Betondorp werd toen een focuswijk. Dat gaat zo ongeveer over de laatste tien jaar.

De Avonden

Nou kom ik nogal graag in De Avonden en toen ik ook via de Ouderen Advies Raad Oost steeds vaker hoorde van die stille armoede wilde ik graag helpen daar iets aan te doen. Organisaties kwamen in de coronatijd vaak bedelen bij De Avonden om eten om iets aan die stille armoede te doen. En zo ben ik Betondorp zo’n beetje ingerold. Ik besloot me bij Carleen de Lange aan te melden van Stichting Veerkrachtig Betondorp. Via de stichting help ik de mensen in Betondorp drie keer per week aan boodschappen en andere ondersteuning als dat nodig is. En als de mensen met een glimlach de deur uit gaan, maakt mij dat ook blij.

Kun je nog even iets vertellen over de Ouderen Advies Raad?

Ja, wij komen één keer in de maand op de eerste donderdag van de maand bij elkaar in het Stadsdeelkantoor aan het Oranje-Vrijstaatplein. Het is nogal een gemengd gezelschap en we hebben het over van alles en nog wat, maar dus met de focus op de mensen van 50 jaar en ouder. Er is ook een website waar je op kunt kijken. Daar staat trouwens ook het Grand Café Genieten op, dat ik jaren lang in een ruimte aan de voorkant van het Stadsdeelkantoor open mocht houden en waar ik ook veel mensen advies kon geven. Helaas is dat met de coronatijd gesloten geraakt en het zal niet meer open gaan, want het wordt nu door de ambtenaren gebruikt. De mensen vinden het vreselijk, maar het is nu eenmaal zo.

Frank, wil je nog een laatste woord zeggen aan de mensen van Betondorp?

De mensen moeten een beetje lief zijn voor elkaar. Laten we elkaar heel veel ondersteunen en samenwerken. Het is beter een langere tafel te maken dan een muur te bouwen. Armoede is vaak buiten de schuld van mensen. Help elkaar als je kan.

Frank, heel hartelijk dank je goede woorden en voor dit interview!

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Cor Rijlaarsdam

Ik kom Cor tegen in de Elthetokerk in de Javastraat. Hij blijkt uit Betondorp afkomstig en we gaan buiten op een bankje zitten. Cor gooit mijn koffie om en maakt de bank schoon. Ik krijg een nieuwe koffie van hem en we beginnen het interview.

Cor maakt bank schoon

Cor, je hebt wel een hele bijzonder achternaam. Wat betekent die eigenlijk?

Ja, vroeger had ik er een eigen verklaring voor. Er zou dan ergens een dam, een ondiepte in een water zijn, waar je met je laarzen doorheen moest waden. Er was een dorpje in de buurt en daar zat dan weer een schoenmaker in, etc. Maar mijn zus die heeft het in Leiden uitgezocht; ze komt aan de balie en de man is na vijf minuten al terug met een lijvige scriptie in zijn hand. Het bleek dat iemand op die naam gepromoveerd was. Ergens nabij Zoetermeer was er een polder en als je van de polder in de boezemvaart er omheen moest komen met een boot, dan was er geen sluisje, maar er was een soort hefboomconstructie gemaakt en dan kon je ‘gereguleerd’ over de dam. Dat ‘gereguleerd over de dam’ veranderde op den duur in rijlaarsdam. Die naam raakte verspreid. Er zijn nog een paar boeren in Ouderkerk, Vinkeveen en Abcou die die naam nog dragen. Wat ik jammer vind is dat mijn voorouders ooit een keer naar de stad zijn getrokken.

Waar en wanneer ben je geboren, Cor?

Puch

In 1951 in het Burgerziekenhuis. Mijn ouders woonden toen in de Meerhuizenstraat in de Rivierenbuurt. In 1959 verhuisden we naar Betondorp, want de woning aan de Rivierenbuurt begon te klein te worden voor het gezin. Ik heb een jongere en een oudere zus. We woonden in de Tuinbouwstraat 120; dat is nu Tuinbouwstraat 164. Ik zat op de Watergraafsmeerschool op de Huismanshof. Ik vond school nooit leuk want ik had geen zin in leren. We hadden altijd wel een hoop lol samen. Na de lagere school ging ik naar het Van der Waalslyceum aan de Mauritskade. Mijn oudste zus ging naar het gymnasium.

Heb je die school wel afgemaakt?

Nee, die school heb ik inderdaad niet afgemaakt. Later heb ik wel de avond-HAVO gedaan. Maar toen interesseerde het mij niet. Het was de hippietijd, en ik had lang haar en een puch. Ik zat in die tijd ook bij de Socialistische Jeugd. We blowden en we gingen naar Paradiso. In 1972 ben ik toen naar de Sociale Academie gegaan, Karthuizer, in de Jordaan. Maar toen werd ik opeens heel erg ziek. Ik had chronische agressieve hepatitis. Ik kreeg koorts en hield niets meer binnen. Op een gegeven moment woog ik nog maar 56 kilo. Ik kwam weer een paar keer in het Burgerziekenhuis terecht.

Wat is chronische agressieve hepatitis eigenlijk? Ik had er nog nooit van gehoord. Hoe kom je daaraan?

Ja, ik heb wel eens gezegd dat het in die hippietijd uit India is gekomen. Laten we het daar maar op houden. Ik had dus die ziekte en kon niet zoveel. In 1974 ging ik bij de Cosmos werken. Eerst zat ik bij de Cosmic Paper. Dat was een krantje van Paradiso [Paradiso opende onder de naam Cosmic Relax Centre, red.]. Later werkte ik in de sauna. Ik viel ook overal in, de bibliotheek, het restaurant. Nog later werd ik schoonmaker. Uiteindelijk werd ik vanwege mijn ziekte in 1978 volledig afgekeurd. Daarna ging ik vrijwilligerswerk doen. Maar in 1977 ben ik dus moslim geworden. Dat kwam zo. In de Kosmos kwam ik zo’n beetje alle religies tegen, en ik heb dat onderzocht. Ik kwam in contact met de eenheid van God. Voordat ik me bekeerde heb ik ook een tijdje bij de Christengemeenschep gezeten, maar ik kon gewoon niets met die Drieëenheid.

Dus je hebt de islamitische geloofsbelijdenis afgelegd. Hoe kwam dat allemaal zo tot stand?

Ja, de getuigenis is: Ik getuig dat er geen God is dan Allah en Mohammed is zijn dienaar en boodschapper. [Cor spreekt de uitspraak ook in het Arabisch uit]. Dat zat zo. Er zaten twee Belgen in die Cosmos die naar Amerika waren gegaan en moslim waren geworden. Eentje kwam terug naar Amsterdam en daar ging ik mee om. God is de onderhouder van het licht van hemel en aarde. En in het huis van de gelovige is het licht. Dat staat ook in de Koran. Er ik ervoer dat licht dus in het huis van die Belg. Ik lig om half twaalf ’s nachts in mijn ben en ik zeg tegen mijn toenmalige Franse vriendin: Ik moet naar het licht. En diezelfde dag nog ben ik moslim geworden.

Ik heb in de Kosmostijd heel veel zoekende mensen gezien, die niet de consequenties van een godsdienst voor hun ego wilden aanvaarden. Voor mij zijn die consequenties de vijf zuilen van de islam.

Ben je ook op Haj geweest?

Ik ben in de jaren tachtig vier keer op Haj geweest en ben ook een keer een langere tijd in Saudi Arabië gebleven. Mijn islamitische naam is Abdulhaj, dat is Dienaar van de levende God. Ik zat in die tijd ook in Syrië, Jordanië etc. Mijn geestelijk leider in 1980 was Sheikh Nazim; ik zat toen in Syrië. Ik was in die tijd ook nog erg met politiek bezig, dat kwam nog vanuit mijn Socialistische Jeugd-periode denk ik, maar mijn geestelijk leider zei dat ik me niet met die politieke zaken moest bezighouden, hij zei dat ik wel met die aardse zaken bezig kon blijven, “but I can bring to the heavenly station.” In juni 1981 werd het steeds heter in Damascus en mijn ziekte begon weer op te spelen. Het eerste boek van Sheikh Nazim was gedrukt in Konya [Turkije, geestelijk centrum van mystieke islam/zij vinden dit enige vorm van islam] en ik ben toen met 25 exemplaren in het Engels terug naar Nederland gegaan. Het boek is toen verspreid via de Federation of Muslim Organisations in the Netherlands. Die zaten in Scheveningen.

Is dat ook die groep van de vroege vertaling van de Koran in het Nederlands?

(Lacht). Nee joh, dat is die van de Ahmadyia.

We verdiepen ons in geestelijke zaken en Cor vertelt dat hij heel erg blij is met zijn hoofddeksel, dat hij in Syrië speciaal heeft laten maken. We zitten inmiddels op een bankje op het Javaplein. Ik heb honger en Cor haalt zijn broodje uit het cellofaan en we delen dat. Het is een buitengewoon interessant gesprek en ik heb nog vele vragen.

[…] Hier breekt het interview af omdat ik door moet voor een ander interview met Frank Stork in Betondorp. Wordt vervolgd.

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Rogier Schravendeel

Door Margrietha Reinders

“PPfff. He, he. Ik ben er! “ Hijgend en buiten adem valt Rogier neer op de stoel tegenover mij in café de Avonden. Zo ken ik hem: altijd onderweg naar een nieuw doel, steeds weer in gevecht met de klok. Rogier is een activist in hart en nieren, vechtend voor mensen in achterstandssituaties: kinderen en hun moeders in opvangkampen, vluchtelingen in uitzichtloze omstandigheden, mensen zonder papieren die geen kant op kunnen . Met verbeten moed der wanhoop zet Rogier zich voor hen in en probeert steun te verwerven om hen te helpen . Tegelijkertijd werkt hij als projectleider voor het Amsterdamse ingenieursbureau op de Amsterdamse Zuidas en begeeft zich in werelden die ver afstaan van de mensen aan de onderkant van de wereldsamenleving. Hoe is dit zo gekomen en waarom zitten wij nu op dit terrasje in Betondorp, bij het volk van Amsterdam? Waar iedereen je kent en niemand wordt overgeslagen ?

Rogier vertelt : ”Mijn vader, leraar Nederlands, kwam uit gereformeerd gezin in Delft dat meeging met de Vrijmaking in de Gereformeerde Kerk, maar maar hij had als jongetje van zeven veel moeite met die kerksplitsing. Hij mocht plotseling niet meer met zijn vriendjes spelen en zondags zaten ze in voortaan twee keer per dag in een gymzaaltje in plaats van in de grote kerk. Deze kerkscheuring veroorzaakte veel leed en trok hele families uit elkaar. Mijn vader keerde het geloof de rug toe en kreeg er een afkeer van: hij werd Spinoza-aanhanger, pacifist en lid van de PSP; zijn leven ging in het teken staan van het gevecht tegen onrecht en onderdrukking en het helpen van de zwakkeren. Dat maakte hem ook eenzaam, omdat hij zich op zijn beurt ook afgescheiden had van zijn ouderlijk milieu, dat hem lange tijd tot terugkeer bleef manen.

Op de lerarenopleiding in Den Haag ontmoette mijn vader mijn moeder, een meisje uit Rotterdam, van wie de hele familie net als die van mijn vader oorspronkelijk uit de Hoeksche Waard kwam. Zij trouwden in 1962, met name onder aandringen van mijn moeder, toch in de kerk – mijn vader werd er zelfs Nederlands Hervormd voor – en gingen wonen in Moordrecht, bij Gouda. Het eerste kindje van het gezin, Jeroen, werd dood geboren. Dat kwam in die tijd veel vaker voor dan nu en er was weinig aandacht voor, het werd door de medische instanties weggemoffeld, dat leed. Men dacht toen dat dat het beste was. Daarna kwam ikzelf, Rogier, een geliefd, aanbeden kind, mooi met lieve krullen. De oudste kleinzoon, maar toch niet de oudste zoon van het gezin. Merkwaardig feit is dat ik nog steeds regelmatig door mensen Jeroen genoemd wordt. Nooit een andere naam.”

Na Rogier werden nog twee broertjes geboren, allebei slechtziend vanwege een erfelijke aandoening. De aandacht verschoof van het kleine jongetje dat Rogier was naar de broertjes met hun handicap. Zo kreeg Rogier ongewild een missie om “de wereld te redden“ en voor kwetsbare mensen op te komen. Zijn ouders waren idealisten , die hun kinderen daarin meenamen, en hun wereldbeeld overdroegen op het kind dat Rogier was: een intelligent, talig jochie met een eigen gedachtenwereld. Maar ook een eenzaam kind dat zichzelf moest redden. Hij nam het vaak op voor de zwaksten en stond dan alleen, al kon hij zichzelf ten opzichte van de groep wel goed handhaven met zijn slimheid en vermogen om overeind te blijven in sociale situaties. In die tijd las hij het jeugdboek van Jaap ter Haar: “Parcival”, over een ridder van de ronde tafel, die het opnam tegen het kwaad. Dat werd zijn voorbeeld. Als Rogier vertelt over een bezoek aan de familie van een vriendje in een arm gezin barst hij in tranen uit. Hij voelt zich daar nog steeds machteloos over.

Langzaam vervreemdt Rogier van de rest van het gezin, dat in de jaren 70, een tijd van polarisatie, meegaat met de sociaal-radicale koers van de PvdA van Joop den Uijl. Ze verhuizenin 1974 naar Woudrichem, in het land van Heusden en Altena. Rogier is tien jaar en vindt het daar niet fijn , voelt zich ontworteld en in isolement, zeker als hij als enige leerling van het dorp naar het gymnasium in Gorkum moet. Er is bij hem een structureel gevoel ontstaan van vreemdelingschap, van nergens bij horen. De relatie met zijn ouders en broers wordt ook op de proef gesteld; er zijn veel ruzies thuis. Het is een ongelukkige tijd. Bij gebrek aan enig idee gaat hij aan de hand van een beroepskeuzetest in Wageningen Agrarische Sociologie van Niet-Westerse Gebieden studeren. Daar explodeert hij, experimenterend met drank en drugs. Op een gegeven moment stort hij in: hij krijgt angstaanvallen en draait door. Een switch naar een studie Nederlands in Amsterdam lost in eerste instantie weinig op. Hij ligt op bed en geeft de hele wereld de schuld van zijn ondergang, tot hij mede dankzij zijn goede vriend Gijs weer verantwoordelijkheid voor zijn leven neemt en een schoonmaakbaantje aandurft dat hem uiteindelijk redt.

Uiteindelijk zal hij met uitstekende cijfers afstuderen als Neerlandicus en krijgt zelfs een aanstelling als onderzoeker in opleiding, promotieonderzoek. Samen met vrienden heeft hij inmiddels het tijdschrift “De Groene Bijeneter” opgericht. Via dat tijdschrift leert hij Gertruud kennen, die gedichten en toneelstukken vertaalt uit het Russsisch, een zeer begaafde literator en prachtige vrouw. Hij raakt gebiologeerd door haar en volgt haar naar Rusland, dwars door het ijzeren gordijn. Ze komen samen terug en trouwen direct – in eerste instantie niet tot het genoegen van van zijn ouders. Rogier en Gertruud willen heel graag kinderen , maar dat mislukt: ze blijven ongewenst kinderloos, tot hun grote verdriet.

In die periode begint Rogier weer te bidden en toenadering tot God te zoeken. Hij herontdekt oude zeventiende-eeuwse christelijke schrijvers zoals Voetius en à Brakel, en ook bevindelijke schrijvers als Pleun Klein, die veel indruk op hem maakt. Dan wordt er bij Rogier kanker ontdekt: hij heeft nog 30 procent kans op overleven, zegt de dokter op een bepaald moment. Maar: hij geneest! Het daarop volgend proces leidt bij hem tot een diepe bekeringservaring. Hij ervaart een verzoening met God in Christus, waarbij God hem ook werkelijk aan zichzelf ontdekt. “Ik voelde mij opgetild als een hondje aan zijn nekvel”. Als hij erover vertelt, springen de tranen hem in de ogen. Hij zal daarna nooit meer dezelfde zijn. Voor zijn vrouw is dat niet altijd gemakkelijk.

”God bestaat echt” zegt hij. “God is niet de God van de woorden, van de ratio, maar een werkelijke God, groter dan de mens, hooguit te noemen als het overrompelende mysterie; een God Die in laatste instantie in geen taal te vangen is, maar de mens wel nabij wil zijn.” Overdonderd door zijn Godservaring vindt Rogier met vallen en opstaan zijn weg. “Ik ben toen iemand anders geworden” zegt hij. ”Ik moest vooral ontzettend veel afleren, en ik ben daar nog steeds mee bezig. Oordelen vooral, meningen hebben, je wapenen met slimme visies om je zin te krijgen. Het geloof is niet moeilijk. Jezus volgen. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Maar dat kon bij mij alleen omdat ik door God zelf overwonnen werd. God is er, en Hij weet wat goed voor de wereld is. Dat is mijn basis vertrouwen. Ook als er veel slecht gaat. Als er mensen in een heel moeilijke situaties verkeren, wil ik me om hen bekommeren. Zoals om de kinderen in de IS kampen in Syrie. Je kunt ervoor kiezen om met hen begaan te zijn. Niet dat het gemakkelijk is.”

Rogier is sterk en gedreven, altijd bezig mensen uit de modder te trekken. Zijn ouders zijn nu trots op hem. Zo kwam hij ook in Betondorp als stagiair bij buurtdominee Margrietha. Hij overwoog een loopbaan als voorganger. Hoewel daar vanwege omstandigheden niets van terecht kwam, bleef hij Betondorp toch trouw. Onder andere door het opzetten van de website 100 jaar Betondorp. Hij wil mensen verbinden, tot hun recht laten komen. Soms loopt hij daarmee wel eens te hard! En raakt buiten adem. Dan moet hij een stap terug doen en weer naar Gods stem luisteren. Die trekt hem dan weer aan zijn oren.

Rogier bestelt nog een biertje bij SEM van de Avonden. Hij lust nog steeds graag een drankje en een lekker hapje. Niets menselijks is hem vreemd, en dat is maar goed ook!

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Margrietha Reinders

Door Rogier Schravendeel

Het is vrijdagmiddag 3 september 2022 en ik zit voor de Avonden in Betondorp op Margrietha Reinders te wachten. Margrietha is nog even in gesprek en het duurt even voor de zich kan losmaken voor het interview dat haar te wachten staat aan de overkant van de straat.

De Avonden

Als Margrietha enkele minuten later aan het tafeltje arriveert, kan het interview beginnen. Wie is Margrietha en wat beweegt haar om als buurtdominee zonder kerk in Betondorp actief te zijn. Er volgt een bijzonder boeiend verhaal.

Ds. Willem Reinders sr.

Margrietha is op 28 juni 1959 geboren in Assen, als oudste dochter van een domineesgezin. Haar jeugd werd getekend door het omkomen in concentratiekamp Bergen Belsen van haar opa, Willem Reinders, de vader van haar vader, die ook predikant was. Reinders, die in de Tweede Wereldoorlog een jaar of vijftig is, heeft als gereformeerde dominee van Sellingen een groot netwerk en ondersteunt het verzet, door onderduikers onder te brengen op diverse boerderijen op het Groningse platteland. Ook geeft hij les in de Engelse taal aan kinderen van het ondergedoken gezin Sachs. Zijn tweede vrouw, Lammechiena Henderika Vroom, helpt mee. De eerste vrouw van dominee Willem Reinders, Margrietha Gesina Melles, is overleden in 1931, enige dagen na de geboorte van haar zoon Wim, de vader van Margrietha. De dominee van Sellingen is zelf boerenzoon, die als enige mocht studeren en na een carrière als schoolmeester op een ‘boefjesschool’ in een moeilijke buurt in Rotterdam, op latere leeftijd in zijn vrije tijd in Kampen theologie studeert en dominee wordt.

Wanneer in april 1944 op station Bedum door het verzet een dodelijke aanslag op SS-er en jager op onderduikers Jannes Luitje Keijer gepleegd wordt, zijn de onvoorziene gevolgen daarvan desastreus. Met medewerking van de Sicherheitsdienst wordt door S.S.-ers een aantal mensen te Bedum geliquideerd. Vervolgens vindt een enorme hoeveelheid razzia’s in de wijde omgeving plaats, waarbij ook opgepakte burgers worden omgebracht.

Begrafenis Jannes Luitje Keijer

Bij een razzia in Vlagtwedde op het onderduikadres bij boer Lammert Huizing op 17 juni 1944 wordt de naam van Reinders op de schriftjes van de kinderen aangetroffen. De dominee wordt gearresteerd en start een lange reis door diverse kampen: via Delfzijl, Vught en Sachsenhausen komt hij uiteindelijk in Bergen Belsen terecht, waar hij in het voorjaar van 1945 zoals zovelen aan vlektyfus overlijdt en in een massagraf verdwijnt.

Het gezin wacht tevergeefs op terugkeer van Willem Reinders, die in 1999 postuum de Yad Vashem-medaille van de staat Israël zal krijgen als ‘rechtvaardige onder de volkeren’.  Wel druppelen geschreven briefjes binnen die Willem her en der uit treinen heeft geworpen, een bijbeltje, de rode driehoek die hij in het kamp had gedragen… Maar vader zelf niet. Opa Willem krijgt postuum een bijna bovenmenselijk formaat in familieverhalen. Het leven van de vader van Margrietha, Willem (Wim) Herman Melle Reinders, die aan het eind van de oorlog een jaar of 14 is, zal volledig door het offer van zijn vader bepaald worden. Er ontstaan in familiekring zelfs rituelen ter herdenking van Willem Reinders tijdens familiedagen. Zo wordt bijvoorbeeld door het hele gezelschap standaard altijd de psalm gezongen die opa zong in Vught. Margrietha realiseert zich later in haar leven dat het gekoesterde voorbeeld van opa Reinders, het doorgaan tot het bittere einde, haar meer getekend heeft dan ze eerder besefte.

De vader en moeder van Margrietha, Elisabeth van Goor (dochter van een gereformeerde aannemer in Hijken), ontmoeten elkaar wanneer Wim naar de zendingsopleiding in Baarn gaat, waar Elisabeth secretaresse is. Wim heeft theologie aan de Amsterdamse VU gestudeerd en wil graag voor de Gereformeerde Kerken naar Indonesië gezonden worden. Maar de situatie voor Nederlandse zendelingen is daar eind jaren vijftig uiterst ongunstig. Indonesië is bezig niet alleen Nederlanders, maar ook Indonesiërs met een Nederlandse affiliatie massaal het land uit te zetten. Het is onder die omstandigheden onmogelijk die kant op te gaan. Daarom wordt vader, die in zijn opleiding het Javaans onder de knie gekregen heeft, na enige jaren predikant te zijn geweest in Hijken en Assen, in 1961 naar Nieuw Nickerie in noordwest Suriname gezonden om voor de Evangelische Broedergemeente (EBG, ooit gesticht door de Moravische Broederschap) te werken onder de Javaanse plantagearbeiders, die daar op vaak eigen sawah’s werken. Margrietha gaat mee, net als jonger zusje Elsje Jane. In Nickerie zal zusje Elisabeth Anne geboren worden.

In Suriname leert Magrietha hoe het is om tot een minderheid te behoren. De schooltijd is niet gemakkelijk voor de enige twee uit Nederland afkomstige meisjes op de Spangenbergschool, die onder leiding van de EBG staat en waar verder alleen creoolse en hindoestaanse kinderen op zitten. De kinderen van een zendeling hebben een zware last op hun schouders; zij dragen mee in de missie van hun ouders. En de missie van de ouders van Margrietha is behoorlijk zwaar. In de geest van grootvader willen zij alles geven en nooit opgeven. Ook al komen zaken soms niet van de grond. De broer van de vader van Margrietha ziet dat trouwens anders. Die kiest bewust een levensweg die afwijkt van de hoge idealen van de grote sterke vader Reinders. Dat leidt dan ook tot een scheiding der wegen in het omgangsleven, die later overigens wel weer enigszins verzoend is. Margrietha heeft trouwens ook heel kostbare herinneringen aan Suriname. Thuis bij vader en moeder was alles goed, en ze herinnert zich nog hoe het was om een middag alleen maar om zich heen te kijken en de kolibri’s om zich heen rond te zien vliegen . In 1966 keert de familie naar Nederland terug. Margrietha is dan zeven.

In 1968 is het eindelijk zover dat Indonesië weer voldoende open gaat om daarheen te trekken. Dat was tenslotte altijd de droom van vader. Hij gaat werken in een wat men dan noemt een ‘minus-gebied’: een gebied met veel armoede, hitte, economische problemen, corruptie, ziektes en ook wel honger. Het hele gezin – er zijn inmiddels vier kinderen – komt mee. Vader ondersteunt allerlei piepkleine kerken in opkomst op Oost Java, soms diep in de rimboe. Het is wel een soort ploegen op de rotsen. Dat is Margrietha, die op onbewuste wijze de missie van haar vader en grootvader heeft overgenomen, ook niet vreemd. Het is een soort radicaal gereformeerd-zijn, een evangelie dat je moet doen tot de laatste consequentie, en niet alleen moet spreken. Niet zeggen maar doen en de weg van Jezus volgen. Met de armen als bondgenoten de moeilijkste plekken opzoeken. Maar haar vader is in zijn gedrevenheid  ook een eenzaam mens. Vanwege het oorlogstrauma is hij een van de eerste patiënten van professor Bastiaans, die het heeft over een ‘zelfbeheersingspantser’ dat doorbroken moet worden. Het is de vraag of dat ooit gelukt is. Vader is bezeten door een soort schuldgevoel ten opzichte van zijn vader en het verhaal van diens opoffering blijft op bijna dwangmatige en onontkoombare manier terugkomen in alles wat hij doet.

De tijd in Indonesië is een moeilijke maar prachtige tijd, waar Margrietha veel herinneringen aan heeft. Natuurlijk krijgt het gezin allerlei ziektes, bloedarmoede en malaria. Het gezin gaat er bijna onderdoor. Maar er is een sfeer van hoop en toekomst. Vader rijdt met de Landrover naar allerlei dorpjes in het achterland, waar kleine kerkjes zijn ontstaan die hij bemoedigt. “Ik heb de armoede in de ogen gezien.” Er is vaak niets te eten, maar de onderlinge solidariteit zorgt dat de mensen samen overleven. Het is de sfeer van het boek The Poisonwood Bible, een bestseller uit 1999 van Barbara Kingsolver, over een Amerikaanse familie met een Southern Baptist-achtergrond die naar Congo gaat en daar zowel de culturele verschillen als overeenkomsten tussen mensen grondig leert kennen. Er hoort voor Margrietha een soort basisvreugde bij deze periode: God is er voor iedereen! Het is de bedoeling dat vader de kleine gemeentes tot zelfstandigheid gaat opleiden, maar vooral is hij ook bezig met de sociaal-economische omstandigheden in de arme gebieden van Oost Java. Vader gaat helpen gewassen te kweken, waterputten slaan, vissers helpen eigen boten te krijgen tegen het oprukkend kapitalisme van Japanse trailers… Maar veel wat met goede hoop en gezamenlijk wordt opgestart, breekt weer bij de handen af.

De opdrachtgever van vader zijn de Gereformeerde Kerken in Nederland, en die kunnen zich moeilijk verplaatsen in het pionierswerk in Indonesië, dat vooral te maken heeft met veel corruptie, waardoor de armen zich uiteindelijk steeds niet uit de krabbenmand weten te werken. Margrietha krijgt oog voor de internationale misstanden, waarbij het grootkapitaal samen met de plaatselijke elite de armen er onder houdt en exploiteert. De kerken inmiddels denken er het hunne van en eisen resultaat. Maar ondanks al dat harde werken worden er nauwelijks planmatige resultaten geboekt. Als er eens iets lukt is dat meer een kwestie van een gelukkig moment, ‘uno momento dado’ zou Johan Cruijff gezegd hebben. Planmatig valt er echter weinig te bereiken op Oost Java en op een gegeven moment is vader Reinders er moe van en komt weer terug naar Nederland. Hij trekt zich als dominee terug in Ten Boer en wil niets meer met de Gereformeerde missionaire wereld te maken hebben, die hem in zijn beleving gesloopt heeft. Margrietha herkent hier veel in. Zijn carrière sluit vader af in Amsterdam, onder andere bij de Pniëlkerk, waar hij tot religieuze oecumene met moslims in de buurt probeert te komen. Maar hij is zijn tijd vooruit en de kerkelijke élite is hier nog niet aan toe. Vader eindigt zijn loopbaan bij de Gereja Kristen Indonesia Nederland, een tweetalige kerk en een van de eerste migrantenkerken in Nederland.

Als Margrietha een jaar of 15 is, realiseert ze zich dat ze ook in de voetsporen van vader en grootvader wil treden. Op dat moment zit ze niet meer in Indonesië, maar bij pleegouders in Olst. De meisjes zijn voor hun middelbare schoolopleiding naar Nederland gestuurd. Het gevoel is van grote verlatenheid en eenzaamheid. Ze missen hun ouders en alle totaalzingeving daaromheen enorm, maar ze zien de gedwongen scheiding ook als een offer dat ze kunnen brengen voor hun ouders, voor de missie. Margrietha besluit theologie te gaan studeren in Groningen. Het is een gelukkige tijd. Margrietha komt hier tot ontplooiing en leert zich een geliefd mens te voelen. Het is een kleine faculteit en het voelt veilig. En ze weet ook al vrij spoedig wat ze wil: werken bij de Nassaukerk in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. De Gereformeerde Nassaukerk is een kerk die bekend staat als kerk voor de buurt, en nog wel in de Staatsliedenbuurt, een van de moeilijkste buurten van Nederland, met veel armoede, heroïneverslaving en een sterke en militante kraakbeweging, waar schrijver van dit interview in deze periode nog kortstondig mee geaffilieerd was. In 1987 wordt Margrietha aangenomen uit vele sollicitanten als jeugdwerker, en in 1989 wordt ze er dominee. Ze werkt daar veel samen met Ricus Dullaert, de kapelaan van de Rooms Katholieke kerk. Het gebouw van de Nassuakerk wordt door de Werkgroep Kerk en Buurt als het ware binnenste buiten gekeerd: volledig op de buurt gericht. Eerst kan de buurt koffie komen drinken, dan ontstaat het inloophuis, een kringloopwinkel, worden ontbijten aangeboden, kortom de Nassaukerk wordt volledig kerk voor de buurt.

In 1997 vindt Margrietha dat ze zich nu lang genoeg ingezet heeft voor de Nassaukerk en gaat even twee jaar in retraite om uit te rusten. Ze is uitgeput van het harde werken, met een grenzeloze drive om de wereld te veranderen zoals haar vader, en tot het al dan niet bittere eind, zoals haar opa. Het is haar man, die inmiddels van basisarts arts is geworden, die nu voor de inkomsten zorgt. Dan wordt ze in 1999 gevraagd om pastor te worden voor de kinderkliniek van de VU. Het is een totaal andere omgeving dan ze gewend is. De kinderen die langere tijd in de kliniek verblijven zijn vaak doodziek en ook wel stervende. De ouders zitten er vaak machteloos bij. Margrietha leert hier iets heel belangrijks: het gaat uiteindelijk niet om resultaat. Heel veel doen is niet zaligmakend, maar er zijn voor mensen, ook in de dodelijkste nood. Intussen doopt en zegent ze kindjes en heeft samen met ouders en kinderen te maken met allerlei verdrietigheden. Het is een bijzondere tijd die tien jaar duurt. Dan wordt het weer tijd iets anders te gaan doen. Er ontstaat een arbeidsconflict over de te volgen koers met de leidinggevende en Margrietha vertrekt, met opgeheven hoofd. Er wordt vrij spoedig weer een beroep op haar gedaan. Dit keer gaat het om het stichten van een pioniersgemeente in een buurt waar de kerk praktisch verdwenen is: in Amsterdam Oud  West. De naam van de kerkplanting wordt Heilig Vuur West. We schrijven 2009: in die tijd is de Protestantse Kerk Nederland, die met een ernstige vergrijzing te maken heeft, aan het onderzoeken op welke wijze ze zich zou kunnen vernieuwen.

Heilig Vuur West is een enorm succes. Margrietha komt in allerlei landelijke media aan het woord, waaronder in veel grote kranten en ook op televisie. De pionier heeft als doelstelling op termijn een christelijke gemeenschap te stichten, maar zit niet vast aan de verouderde kerkelijke structuren, is het idee. Margrietha voert de opdracht met vuur uit en de pioniersgemeente, die uitgaat van de Nassaukerk, is een voorbeeld voor heel kerkelijk Nederland. In de praktijk begint Margrietha zonder ruimte en schuift aan bij Stichting Burenhulp aan de Kanaalstraat. Van daaruit begint ze een Bijbelcafé, in eerste instantie in Café Alverna aan de Bilderdijkstraat. Een volgende stap is het betrekken van een ruimte in een gebouw op het voormalig Wilhelmina Gasthuisterrein, de Arie Biemondstraat 103.

Margrietha vindt nu dat de pioniersplaats voldoende vorm heeft gekregen en besluit de pioniersplek aan een opvolger door te geven en weer de pioniersfase in te stappen op een andere plek in Amsterdam. Dat wordt Betondorp, waar Margrietha in 2016 voor de PKN-kerk De Bron de pioniersplek Betondorp Bloeit start. Kan je een gemeenschap, een christelijke gemeenschap vestigen in een buurt waar geen kerk is? Baseer je dan op saamhorigheid. Margrietha komt wel gewoon als dominee, want dat is ze. Maar het doel is dat mensen het gevoel krijgen dat er er mogen zijn. Betondorp Bloeit wil een veilige plaats in Betondorp zijn, waar mensen zoals ze zijn onvoorwaardelijk waardering en liefde krijgen. Het maakt niet uit of ze gelovig zijn of niet. Margrietha hoopt daarbij wel dat de mensen enige relevantie ervaren bij de weg die Jezus gegaan is en wil de mensen ook uitnodigen die weg te gaan, zich gevend aan anderen. Maar er zijn heel veel manieren om die weg te lopen.

“Ik vind dat het heel goed gaat. Een groeiende groep voelt zich thuis bij de activiteiten van Betondorp Bloeit.” Margrietha streeft vurig maatschappelijke gerechtigheid na. Ze wil naast mensen zitten die het moeilijk hebben en in de pinarie zitten. Werken van barmhardigheid. Wat Margrietha ook graag wil is werken aan de gemeenschapsvorming in de buurt. Dat hoort 100% bij haar missie. “Het is niet te doen om iedereen hier op te noemen die een belangrijke rol in de buurt speelt. Als ik toch wat namen moet noemen van mensen met wie ik heel graag samenwerk, dan noem ik in ieder geval Eric Meursing van SKA, Eugene Weusten van Betondorp Live!, Liesbeth Stoffer met wie ik coronatijd zoveel mensen eten heb kunnen geven, natuurlijk Carleen de Lange van Stichting Veerkrachtig Betondorp, Rody Hofkamp van de Partij van de Dialoog, Andy Knijpinga van Stichting Maatwerk, Antoinette en Jo-Ann van Dynamo, politieagent Monique, Hinke, de mensen van Participatie Betondorp en iedereen die ik nu vergeet te noemen. Ik verheug me trouwens ook erg op het Bessenfeest dat binnenkort weer in Betondorp georganiseerd wordt.”

We willen Margrietha hartelijk danken voor dit uiterst boeiende gesprek. Wie meer wil weten, kan even een kijkje nemen op de website http://betondorpbloeit.nl. En kom een keertje langs in het Brinkhuis, waar Margrietha inmiddels een plekje veroverd heeft!

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Michel en JP van De Avonden

Door Rogier Schravendeel

Afgelopen vrijdagmiddag was ik op bezoek bij De Avonden, het onvolprezen café op hoek Brinkstraat/Middenweg.

Michel
Jean-Pierre

De Avonden bestaat sinds 2013 en wordt door twee broers gedraaid: Michel (1970) en zijn twee jaar oudere broer Jean-Pierre (JP). Het eerste gesprek dat ik voer is met Michel, die door Andy Knijpinga is voorgedragen voor een interview. Michel blijkt in het verleden nog in de jeugd van Ajax gespeeld te hebben en ook gehonkbald. De broers komen uit de Nieuwmarkt, uit een gezin met nog twee broers en een zus. Ik vraag naar de achtergrond van de naam “De Avonden”. Die naam is verzonnen door Jean-Pierre, zegt Michel. Maar er waren destijds nog meer namen die de broers bedacht hadden, zoals Het Orakel, of gewoon Nummer 14. Dat het De Avonden geworden is beschouwt Michel als een goede keuze. Het vroegere café Meerzicht, dat min of meer failliet door de broers was overgenomen, was van oorsprong een echt Ajax-café maar had in de laatste jaren van zijn bestaan, ruim na het vertrek van Ajax 1996, een slechte reputatie. Bovendien was het een dooie tent. Niet alleen voerden de broers een naamswijziging door, maar maakten van het café ook een eet-café.

Terras

De Avonden beschikt op het ogenblik nog over een ruim terras aan beide kanten van de stoep, maar dat gaat een dezer dagen wegens het vervallen van de coronamaatregelen weer verdwijnen. Wel overwegen de broers van de buitenruimte een uitbouw, een serre te gaan maken, zodat er in de winter ook gebruik van kan worden gemaakt. Het binnengedeelte van De Avonden is vrij krapjes. Ik vraag aan Michel wat het unieke van De Avonden is. Hoewel alle soorten mensen welkom zijn, is dat volgens hem de typisch Amsterdamse sfeer, die overal in de stad aan het verdwijnen is, maar in De Avonden nog heerst. “De yuppen rukken op, maar hier is het nog echt Amsterdams,” zegt Michel. Zelf woont hij ook in de buurt, in Jeruzalem. Broer JP blijkt boven het café te wonen. Cafe’s als dit zijn er in de stad nog maar een handvol. Na enige nadenken noemt hij als vergelijkbaar Amsterdamse kroegen De Lachende Gulden aan de Dappermarkt, de Zon aan de Nieuwmarkt, Café de Amstel en ook nog wel Ruk en Pluk. Zelf kom ik met de Zeepost bij het Centraal Station. Dat is nog van zijn tante van moederskant geweest, herinnert Michel zich. Ooit hadden de broers overwogen dit café over te nemen. Maar dat is allemaal lang geleden.

Het is altijd druk in De Avonden en er wordt hard gewerkt.

De broers zijn bij hun vader Jan in de zaak begonnen. Jan was van oorsprong onderhoudsmonteur/electricien, maar stapte op een gegeven moment in de horeca door Café Frankendael aan de Middenweg over te nemen, waar Michel op zijn negentiende begon te werken. Later bezat de familie De Herberg aan de Muiderstraatweg in Diemen. Michel werkte ook nog in café Engels aan Oosterpark 10.

Broer Jean-Pierre schuift ook nog even aan. Hij vertelt over de verbouwing die had plaatsgevonden nadat de broers Meerzicht hadden overgenomen en een maand of drie of vier duurde. Daarna had de tent een compleet ander aangezicht. Natuurlijk waren er wat gasten die niet met de verandering om konden gaan, en ook gasten die de broers liever kwijt dan rijk waren vanwege hun moeilijk gedrag. Jean-Pierre noemt wat namen op van mensen die hij belangrijk vindt voor de buurt, mensen die volgens hem Betondorp bij elkaar houden doordat ze het hele dorp zo’n beetje overzien. Charles Loots is zo’n naam, wijkbeheerder voor Ymere/Eigen Haard. Ook de naam van Frank Stork wordt positief genoemd. We hebben het ook over Andy Knijpinga, die dit interview heeft georganiseerd.

Het wordt inmiddels tijd om het interview af te ronden. Jean-Pierre vertelt nog even dat het terras altijd vol zit met eters, en dat je er een heerlijk biefstukje kunt eten. Ik krijg een pilsje aangeboden en ga lekker binnen aan de bar zitten. En ik raak gelijk in gesprek met een echte Amsterdammer die van zijn hart geen moordkuil maakt en in duidelijke taal vertelt wat hij van de huidige burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema vindt. Er ontspint zich een roerig gesprek waar ook andere bargasten aan meedoen en het is pas vele biertjes later dat ik enigszins licht in het hoofd het pand verlaat. Ik heb een buitengewoon gezellige tijd gehad en ik raad alle lezers, of het nu echte Amsterdammers of juist expats of yuppen zijn, zich met spoed naar De Avonden te begeven, is het voor een heerlijke biefstuk op het terras, dan wel voor een goed gesprek aan de bar. Deze tent heeft het helemaal.

Categorieën
Interviews

Interview met de mensen van Stichting Veerkrachtig Betondorp

Door bemiddeling van Carleen de Lange kregen wij toestemming van MUG Magazine dit artikel over te nemen.

´Welkom bij de andere kant van de kloof´

Onzichtbare armoede krijgt bij de sociale kruidenier in Betondorp een gezicht. Vrijwilligers van Veerkrachtig Betondorp staan sinds de corona-uitbraak arme burutgenoten bij met gratis maaltijden, praktische hulp en morele steun. Oprichtster Carleen de Lange: “Welkom in de wereld van de andere kant.”

Tekst Jos Verdonk Beeld Elmer van der Marel

De straten zijn er vernoemd naar begrippen uit de landbouw. Betondorp is een volkswijk in Amsterdam Oost die een eeuw geleden werd gebouwd. Typerend in het vele groen van plantsoenen en hofjes: een wijk met een vriendelijk, dorps karakter. In de jaren twintig van de vorige eeuw was er aan veel dingen een tekort, waaronder aan doodgewone bakstenen. De architecten van de buurt kozen voor het gebruik van betaalbare beton en aan dat materiaal dankt deze buurt zijn naam.

Betondorp is bovendien de buurt waar de iconische Amsterdammers Johan Cruijff en Gerard (van het) Reve en zijn ‘geleerde broer’ Karel van het Reve opgroeiden. Een aantal plekken herinnert nog aan Neerlandse beroemdste voetballer. In Betondorp wonen nog veel oorspronkelijke Amsterdammers, maar ook ‘nieuwe’ Nederlanders en sinds een aantal jaar steeds meer tweeverdieners en yuppen met een prima gevulde beurs.

Maar er is ook een andere kant. Al dat pittoreske beton houdt veel armoede verborgen, ontdekten Betondorpers Carleen de Lange en haar man Paul aan het begin van de coronatijd. Ze wilden daar iets aan doen. Carleen werd de drijvende kracht achter Stichting Veerkrachtig Betondorp (SVB). Een club vrijwillugers heeft zich hierin verenigd om praktische hulp te geven aan arme Betondorpers, maar er is ook tijd voor een praatje en een luisterend oor.

Paul: “We zijn begonnen met maaltijden en spulletjes rond te brengen met de auto. Dat kun je voor een paar mensen doen, maar het werden er al gauw meer dan twintig huishoudens. Het was praktischer als onze mensen de maaltijden zelf kwamen halen.”

Carleen: “Toen kwam die ruimte hier aan de overkant vrij.” Paul: “Op dat moment werd het idee van de sociale kruidenier geboren.” De ‘winkel’ is een ruimte met metalen stellingkasten en een grote koelkast. Daar worden de hele week levensmiddelen en toiletartikelen verzameld. Deelnemers maken een boodschappenlijstje van wat ze echt nodig hebben. Elke vrijdagmiddag wordt de winkelinventaris zo eerlijk mogelijk verdeeld.

Maaltijden

De vrijwilligers konden in oktober 2021 verhuizen naar het Zuivelplein in een wat gedateerd schoolgebouw. De gemeente betaalt de huur. Carleen: “Tot voor kort kregen we van het Rode Kruis supermarktbonnen, maar dat is helaas niet meer zo. Elke maandag, woensdag en vrijdag delen wij aan het eind van de middag verse maaltijden en soepen uit, maar ook levensmiddelen zoals groente en brood. En iedere vrijdagmiddag is de socialie kruidenier open.”

Maar er worden nog tal van andere initiatieven ontplooid. “We hebben diverse huizen ingericht: van vloer tot onderbroek noem ik dat altijd. Die vloer hebben we gratis opgehaald in Zaandam en die onderbroeken koop ik desnoods van mijn eigen geld.”

De missie van SVB is vormgegeven in een beeldje, gemaakt door Carleen. Het is een metalen veer die is vastgeklonken op een sokkeltje van beton. “Het staat voor de situatie waarin arme Betondorpers zitten”, legt ze uit. “Ze zitten er muurvast in. Maar wij staan achter ze en met veerkracht komen ze weer in een spiraal naar boven. Je moet mensen een beetje hoop geven.”

De buurtbewoners voor wie SVB zich inzet, zijn in verborgen armoede terechtgekomen. Carleen””mensen komen om tal van redenen in de financiële problemen: door hoogopgelopen schulden, echtscheiding of toeslagen en uitkeringen die vervallen. Corona heeft vaak het laatste zetje gegeven. Er zijn mensen die elke maand honderden euro’s tekortkomen. Als je dan naar de gemeente gaat, krijg je te horen dat je eerst maar moet proberen het in eigen kring op te lossen, dan bij de mensen in je buurt en dáárna pas bij de gemeente kunt aankloppen. Maar vaak is het dan al te laat.”

Deze verborgen armoede veroorzaakt behalve stress en schaamte ook gezondheidsproblemen. “Mensen gaan niet meer naar de dokter of het ziekenhuis omdat ze het eigen risico niet meer kunnen betalen.”

Schaamte

Frank Storik komt binnen met de groente van vandaag. Hij zit in de Ouderen Adviesraad van Amsterdam Oost en is een van de vrijwilligers van SVB. Hij werkt niet meer, maar is zo’n vier keer per week in de oude school te vinden. “Het zijn vooral oudere mensen die door deze crisis zijn getroffen, maar er komen ook zzp’ers bij ons. In de coronatijd hadden we studenten die hun baantje kwijt waren geraakt, maar nog steeds zevenhonderdvijftig euro voor hun kamer moest betalen.”

Een van de vaste klanten is Stella. “Ik kom hier regelmatig, zo’n drie keer per maand. Ik ben bij SVB aangemeld door iemand. Ik zei nog: “Daar kom ik toch helemaal niet voor in aanmerking? Er zijn mensen die het veel zwaarder hebben dan ik!” Ze zei toen dat dat helemaal niet waar was. De eerste keer was het een beetje eng natuurlijk. Het is de schaamte, ja.”

Frank: “En dan staat er ineens zo’n dikke man achter een balie voor je neus.”

Stella: “Het is moeilijk toe te geven dat je arm bent, dat je hulp nodig hebt. Doordat mijn dochter nog bij me inwoont, krijg ik geen huursubsidie meer, want zij verdient te veel. Gelukkig gaat ze op 1 juli op zichzelf wonen. Dan kan ik weer huursubsidie aanvragen en hopelijk de schuldsanering in. Daar zit je drie of vijf jaar aan vast, maar daarna ben je schuldenvrij.”

Frank: “Mensen zeggen hier wel eens: ga maar naar Frank. Die hoeft niet zoveel van je te weten en kent wel iemand die je kan helpen.”

De jongste vrijwilliger is Simke. Ze is twaalf en helpt een paar dagen per week mee in de moestuin. Ze geeft een rondleiding. “We hebben echt van alles. Daar staat een vijg, maar we hebben ook tomaten, eetbare bloemen, sla, prei en doperwtjes. De oogst gaat naar de winkel. We geven groente en fruit weg aan de mensen die hier komen of verwerken het in de maaltijden of soepen.”

Soep

Iedere week is er gratis soep voor iedereen en er wordt wekelijks gekookt. Frank: “Wij pakken echt elke feestdag mee om er iets van de maken. Met Pasen doen we iets met eieren en met Oud en Nieuw bakt iemand de gele dag oliebollen. Zo proberen we een beetje smeuïgheid in het leven mee te geven. De twee sociaal betrokken broers van café De Avonden hier om de hoek maken een paar keer per jaar een maal van kip, patat en groente voor onze mensen. Dat is echt een feestmaal! Van de bakker op de Brink krijgen we drie keer per week brood.”

Carleen: “We willen dat mensen met een glimlach weggaan. Er was iemand die zich schuldig voelde dat ze hier kwam. Toen heb ik gezegd: “Zal ik je een geheimpje verraden? Ik ben zo blij dat jij bij met komt, want dan kan ik genieten van jouw dankbaarheid.” Dat meende ik ook. Wij krijgen er met zijn allen iets voor terug.”

Stichting Veerkrachtig Betondorp (SVB), Zuivelplein 9. De naam ‘Stella’ is gefingeerd om privacy-redenen. http://veerkrachtigbetondorp.nl

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Rody Hofkamp

Door Rogier Schravendeel

Ik zit met Rody Hofkamp op het plein van de Oranje Vrijstaatkade, voor het Stadsdeelkantoor van Amsterdam Oost. Rody heeft heel wat te vertellen. In een paar jaar tijd heeft Betondorp hem indrukwekkend veranderd. Tijd voor een gesprek.

Het begon voor Rody allemaal met de Donderdagmarkt en zijn limonadebar

‘Via mijn geliefde Atena ben ik met Betondorp in aanraking gekomen’, aldus Rody, die tegenwoordig op de Middenweg woont. ‘Ik wist van tevoren niet wat voor geweldige plek Betondorp is. Betondorp heeft echt alles in zich om in korte tijd uit te groeien tot het allerpopulairste stukje Amsterdam. En dat is geen grapje.’ Rody, die niet wil zeggen hoe oud hij is, is enorm enthousiast over Betondorp.

‘Betondorp heeft me de mogelijkheden gegeven die ik nu aan het uitbouwen ben. Wat mensen vaak vergeten is, dat toen de donderdagsmarkt geopend werd, er plotseling ook een blauwe vis verscheen op de Brink. Ik kan me die dag als de dag van gisteren herinneren. Ik was een van de vormgevers van de eerst versie van die markt, met mijn limonadebar.’

Maar het bleef niet bij die limonadebar. ‘Ik heb altijd enorme behoefte gehad mensen bij elkaar te brengen’, aldus Rody. ‘Misschien komt dat wel door mijn dorpse achtergrond’. Betondorp heeft de naam een dorp te zijn. En in zekere zin is ze dat ook. Maar is Betondorp ook een dorp in de zin van onderlinge solidariteit? Volgens Rody is daarin nog veel te winnen.

‘Natuurlijk deed ik mee met al die geweldige initiatieven om de buurtbewoners dichter bij elkaar te brengen. De initiatieven van Eric Meursing met zijn kunstroute, Eugene Weusten met de befaamde Brink op Zaterdag en ook anderen zijn natuurlijk geweldig. Maar op een gegeven moment wil je ook zelf initiatief nemen, aan het roer staan van het schip dat je eigen dromen realiseert.’

Rody legt uit aan BuurtBewoners, jong en oud, hoe de partij erachter staat

Die kans kwam voor Rody toen hij Andy Knijpinga tegenkwam, de befaamde initiator van de Partij van de Dialoog, oorspronkelijk ontstaan in Almere. Andy stelde Rody in staat zich voor diezelfde Partij van de Dialoog kandidaat te stellen vanuit Betondorp voor de gemeenteraadsverkiezingen voor Stadsdeel Amsterdam Oost. Die kans liet Rody niet liggen. Hij wist dit voorjaar het voor een beginnende partij uiterst respectabele aantal van 153 zetels te behalen.

Volgens Rody is dat nog maar het begin. Hij heeft grote plannen al dan niet vanuit een politieke positie bij te dragen aan de verbinding in Betondorp. ‘Ik geloof in gezelligheid. Een ouderwets begrip, samen dingen doen.’ En het 100-jarig bestaan van Betondorp in 2024 biedt daar volgens Rody alle kansen voor. ‘Ik waardeer het initiatief van de website www.betondorp100.nl zeer,’ aldus Rody. ‘Iemand moet het voortouw nemen.’ Maar wat het allerbelangrijkste is, waar het echt om gaat, is de deelname van alle buurtgenoten aan dit geweldige feest.

Politiek dier

‘Betondorp 100 jaar moet een feestje worden waar iedereen aan mee doet. Dus niet alleen het welzijnswerk met de bekende subsidieklanten. Ook nieuwkomers moeten nadrukkelijk uitgenodigd worden mee te doen. Betondorp zijn we samen. Iedereen telt mee!’

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Eric Meursing

Door Rogier Schravendeel

Het is zaterdagochtend 9.30 uur en ik ben op bezoek in de expositieruimte A[rt]10 van Eric Meursing van Stichting SKA, Sociaal Kapitaal Amsterdam. Er hangt op het ogenblik een tentoonstelling van schilderijen van Menno Siegers. Later op de ochtend zal Eric nog een ontmoeting met hem hebben. Het vloerkleed kleurt prachtig bij de schilderijen aan de wand.

We hebben het interview in een oud gymnastieklokaal van de vroegere school aan het Zuivelplein. Eric zit hier met zijn Stichting sinds 2019: eerst als antikraak voor Zwerfkei, en vandaag de dag als officieel huurder van Gemeentelijk Vastgoed, dat het pand in eigendom heeft. Gemeentelijk Vastgoed heeft het gebouw vooralsnog voor een maatschappelijke functie aangewezen en op die manier kan Stichting SKA het pand ook huren. Eric doet in samenspraak met het Stadsdeel maatschappelijke projecten in de buurt en werkt daarbij als kok als ZZP-er, en kan mede daardoor de huur van het pand opbrengen. Dat is een win-win-situatie voor beide partijen en daarmee voor Betondorp.

Ik vraag Eric wat voor projecten hij inmiddels in Betondorp heeft gedaan. “Het eerste was met Valentijnsdag 2020,” herinnert hij zich, maar verwijst me dan naar de website www.madeinbetondorp.nl, waar alle projecten in de juiste volgorde genoemd worden. Dat blijken er heel wat te zijn. Naast samenwerkingen met Betondorp Live van Eugène Weusten en Naomi de Rooy, Tamara Hoovenstat van Kringloopwinkel ’t Hartje, Carleen de Lange van de weggeefwinkel, e.v.a. biedt SKA ook in coronatijd verbindende projecten aan zoals “Parels van Beton”. Een heel bijzonder project, wat ook de aandacht van de nationale media trekt, is de Kunstroute Betondorp, waarbij een kunstroute door het dorp langs werk van maar liefst 18 Betondorpse kunstenaars leidt. Voor meer informatie kan de lezer de website bekijken. Wij beginnen met ons interview met Eric.

Eric is in 1956 geboren in Koog aan de Zaan. Samen met zijn vader, hoofd laboratorium van Cacaofabriek de Zaan, zijn moeder en tweelingzussen woont het gezin vlak naast het fabrieksterrein. Eric heeft daar een prettige jeugd. Wel is hij stronteigenwijs en erg snel afgeleid. Daarom komt hij na de lagere school tijdelijk op het IVO (Individueel Voortgezet Onderwijs) terecht, maar stroomt dan weer door naar MAVO en rondt aansluitend de HAVO af. Eric is in zijn middelbare schooltijd al met kunst bezig. Hij tekent graag en trekt op met veel open minded, creatieve vrienden. Eric luistert naar muziek van o.a Neil Young, David Bowie, Janis Joplin, Rolling Stones en veel “hippie”muziek en krijgt intussen teken- en schilderles van een bekende Zaanse kunstschilder.

Eric herinnert zich het atelier van deze schilder in diens woon/werkkamer in Zaandam nog goed. “Het rook er naar olieverf, terpentine, zweet, koffie die te lang had opgestaan en heel veel weed, er lagen overal opgezette vogels en andere inspirerende prullaria zoals bij 17e eeuwse schilders van stillevens, dus heel anders dan thuis en dat was natuurlijk heel prettig.

Na militaire dienst gaat Eric dan ook naar de Kunstacademie. Maar niet in Amsterdam, zoals voor de hand liggend zou zijn, maar naar Arnhem, Kunstacademie ArtEZ. Dat laatste heeft te maken met een leuke dame die ook naar Arnhem vertrekt, maar dan naar de Modeacademie. De relatie bleek niet blijvend, maar de opleiding aan ArtEZ bevalt uitstekend. Hier studeert hij 3-D design (industriële vormgeving). De opleiding is tegelijkertijd ook een soort ambachtschool. Het is de bedoeling dat de leerlingen in de toekomst volkomen zelfstandig uit de voeten kunnen, dus worden allerlei technieken aangeleerd zoals lassen, spuitgieten, houtbewerking etc. Een geweldige opleiding, maar wanneer Eric in 1982, midden in de ernstigste crisis die Nederland na de oorlog gekend heeft, afstudeert en op de markt komt, blijkt er totaal geen werk te zijn en zeker niet voor net afgestudeerde designers van de kunstacademie. Hij weet nog een paar winkels in te richten met een vriend van de academie maar dan droogt alles op en zit Eric zonder werk en zonder geld.

Werk van Eric

Omdat koken altijd al zijn passie is en het Arbeidsbureau bovendien een gratis omscholing naar het koksvak met baangarantie aanbiedt, wordt Eric kok in 1986. In datzelfde jaar leert hij tijdens een eerste poging tot kok bij een hele kleine pizzeria in Arnhem ook zijn vrouw  Marjolein kennen en het is gelijk raak tussen die twee. Marjolein is op dat moment directiesecretaresse op hoog niveau en kan een top baan in Amsterdam krijgen. Er is zoals altijd ook enorm veel werk voor koks in Amsterdam, dus beiden besluiten ze naar de hoofdstad te trekken en vinden een fijne woning aan de Amsteldijk, met uitzicht op het Amstel. Wanneer Marjolein in 1988 bij een snelgroeiend softwarebedrijf in Utrecht aan de slag kan, verhuist het echtpaar die kant op. Er wordt dan keihard samen gewerkt aan een toekomst met meer inhoud en perspectief.

De gelegenheid doet zich voor in 1996. Eric is inmiddels als kok ZZP-er geworden en opeens valt het kwartje bij Marjolein: we beginnen samen een uitzendbureau voor koks. Het blijkt een briljante gedachte. Er zijn in die tijd geen gespecialiseerde uitzendbureaus voor koks en al gauw blijkt het booming business. Maar Eric en Marjolein kiezen voor een zeer kwalitatieve methode: wanneer een opdrachtgever zich meldt gaat Eric zelf altijd even in de keuken kijken en een dagje meewerken om te bepalen welke kok in het bestand het beste past. Al snel blijft de fax ratelen in de woning in de Utrechtse binnenstad en melden zich de bekende chefs en ondernemers van sterrenzaken die zitten te springen om koks op hoog niveau; veeleisende klanten dus. Het is in die dagen “alles voor de zaak”. Het is alleen maar 24/7 werken, er ontstaat stress en een ongezond leven is het gevolg. De koek is op een gegeven moment op. Het is niet leuk meer om iedere dag tussen half zes ’s ochtends en half twee ’s nachts gebeld te worden door koks en opdrachtgevers. Het is tijd voor iets nieuws.

Menu, door Eric

Het geld is er inmiddels wel, maar vooral het zakelijk inzicht van Marjolein is bij de ontwikkeling van het nieuwe plan leidend. Het is 2005 en Eric en Marjolein hebben geen zin meer in het uitzendbureau en ze trekken zich terug in een hutje op de hei. Wat nu? Hier wordt het concept van De Culinaire Werkplaats geboren, http://www.culinairewerkplaats.nl. In De Culinaire Werkplaats, die zijn fysieke locatie in de Staatsliedenbuurt heeft, komen kunst, koken en eten samen. De Culinaire Werkplaats is een eigenzinnige eet-initiatief in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt met een restaurantgedeelte, een ontwerpstudio voor eigentijdse foodconcepten en een artspace voor interactieve food art. Het is een werkplaats om mensen te inspireren anders en bewust naar hun bord eten te kijken, het wordt een internationaal succes en iets geweldigs om samen te doen.

De Culinaire Werkplaats

Maar in 2015 begint Marjolein zich af en toe minder lekker te voelen. Eigenwijs als ze is, gaat ze natuurlijk niet met haar klachten naar de dokter. Regelmatig moeten events en ontmoetingen afgezegd worden. Wanneer in 2017 uiteindelijk de diagnose uitgezaaide baarmoederhalskanker gesteld wordt, is het te laat. Er volgen nog vele bezoeken aan het Anthonie van Leeuwenhoekziekenhuis, maar de kuren slaan niet voldoende meer aan. Wel wordt Marjolein er dood- en doodziek van. Eric besluit deze laatste beproeving met haar aan te gaan en zal niet meer van haar zijde wijken. Na een slopend ziekteproces komt Marjolein in november 2018 in het hospice de Zorgherberg in Oostpoort terecht, waar zij in april 2019 overlijdt. Omdat Eric de zaak met de woning verkocht heeft om bij haar te zijn, staat hij na het overlijden van zijn geliefde dan ook met lege handen. Zelfs geen woning. Vrienden helpen hem zoeken naar een plek in Amsterdam. Hij moet verder. En op die manier komt hij tot het oprichten van Stichting SKA.

Marjolein, door Eric

Het is een heel bijzonder verhaal, waar ik als interviewer diep door getroffen ben. Eric is inmiddels weer helemaal terug. Stichting SKA heeft zich de afgelopen jaren waar gemaakt in Betondorp en Eric heeft als wat ze tegenwoordig “Stadmaker” noemen grote plannen wat betreft zijn inzet voor Betondorp. Tevens is hij Vertrouwenspersoon voor de buurt. Zijn inzet voor Betondorp wordt vooral gemotiveerd doordat hij het een prachtig dorp vindt, een verborgen parel, waar vreemd genoeg bijna niemand langskomt om de prachtige architectuur te bewonderen, terwijl er anderzijds internationaal gezien volop belangstelling bestaat. Daarbij wil hij op allerlei manier proberen bij te dragen aan een prettig woonklimaat in de buurt. Tenslotte vindt Eric het jammer dat Betondorp in de culturele programmering van Amsterdam bijna niet meedoet. Dat is ongelofelijk jammer voor een architectonisch zo indrukwekkend hoogtepunt en zou moeten en ook gemakkelijk kunnen veranderen, alhoewel daar wel wat heilige huisjes voor zouden moeten sneuvelen.

Betondorp, door Eric

Naast het organiseren van Foto-en Kunstexposities die zowel een culturele als sociale functie hebben, staan er meer projecten op het programma om het leven hier [nog] leuker te maken. Een van de volgende grote projecten waar SKA zich voor wil gaan inzetten is de viering van het 100-jarig bestaan van Betondorp. Eric zit zelf ook in het sleutelfigurenoverleg. Daarnaast is hij als vertrouwenspersoon betrokken bij een werkgroep uit de Indische buurt die de samenwerking onderzoekt tussen de formele en informele organisaties in de buurt. Dat laatste vinden wij buitengewoon interessant, omdat het bij elkaar brengen van de diverse initiatieven en de verschillende bewoners in Betondorp ook de doelstelling is van de website www.betondorp100.nl, wellicht met wat minder focus op bestaande organisaties.

Eric, heel hartelijk dank voor dit interview en veel succes gewenst met je inzet voor de buurt!

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Andy Knijpinga brengt mensen bij elkaar

Door Rogier Schravendeel

Sinds 2018 woont hij nu in Betondorp, Andy Knijpinga, de man van Stichting Maatwerk en de Partij van de Dialoog. Tijd om Andy eens te interviewen in deze nieuwe reeks gesprekken met bewoners van Betondorp, in opmaat naar het 100-jarig bestaan! Wie is Andy?

Andy is in 1961 geboren in de President Brandtstraat in de Transvaalbuurt in Amsterdam Oost, als lid van een groot gezin. “Ik had vijf zusters en twee broers. En ook een doodgeboren kind. Eigenlijk waren we dus met zijn negenen.” Alhoewel het gezin geen typische categorale geloofsachtergrond heeft, was volgens Andy het geloof altijd wel aanwezig in het gezin, vooral bij moeder, en werd Andy ook naar een christelijke school in dezelfde straat gestuurd. De in Rotterdam geboren vader van het gezin Knijpinga zat in eerste instantie net als de hele familie Knijpinga in de confectie. Nadat hij als dienstplichtig soldaat terugkwam uit Indonesië, ging hij op termijn bij de gemeente werken in het toezicht en het beheer. De belangstelling voor gemeentelijk beheer van de wijk heeft Andy dus niet van een vreemde.

Nadat de familie van de Transvaalbuurt naar de Overtoom verhuisd was en Andy na de basisschool diverse administratieve opleidingen volgde en ook even naar het Ondernemerscollege ging, kwam hij in de tweede helft van de jaren zeventig vrij voor de arbeidsmarkt, waar hij een heel scala van banen invulde, waarbij echter de zorg voor de familie en het gezin een belangrijke rol in bleef nemen. Al op school was het niet onopgemerkt gebleven dat Andy een groot sociaal hart had en de schooldecaan voorspelde al dan hij ooit met mensen zou gaan werken. Het zeer uiteenlopende o.a. schoonmaak- en productiewerk ter ondersteuning van het gezin, waar behalve Andy de een na de ander uitvloog, bracht de toekomstige zorgondernemer daarbij een schat aan mensenkennis bij.

Berdien Stenberg inspireerde Andy tot het oprichten van een eigen stichting.

Een schokkend moment vond plaats in 1990, toen Andy zijn eigen vader dood moest aantreffen op nog maar 64-jarige leeftijd. Het begon rustig te worden in huis en Andy bleef op termijn alleen met moeder over. Eind jaren negentig werd de stap naar Almere gewaagd, waar al meerdere familieleden woonachtig waren.

Er gaat hier een nieuwe wereld voor Andy open en Andy voelt zich genoodzaakt zich steeds sterker te gaan inzetten voor het publieke belang; in eerste instantie in Muziekwijk, waar de kerngezinnetje woonachtig is. Andy begint zich ook met politiek te bemoeien en met de gang van zaken rond overheidsbestedingen, beheer van de openbare ruimte en vele andere zaken. De doorbraak komt tot stand wanneer Andy als voorman van een beherende partij tot het inzicht komt dat er op de werkvloer sprake is van integriteitsissues waar niets aan gedaan wordt. Corruptie, zeg maar. “Dat kan zo niet,” besluit Andy, en hij besluit zijn nek uit te steken om de zaken op tafel te krijgen.

Vanaf dat moment is Andy in voortdurend contact met diverse politieke partijen in Almere en richt op advies van de beroemde dwarsfluitiste Berdien Stenberg, op dat moment wethouder voor het CDA, Stichting Maatwerk Wijkondersteuning Almere op, om op die manier ook op een praktische manier ondersteunend bezig te kunnen zijn in zijn eigen buurt. Tegelijkertijd richt Andy ook een eigen politieke partij, de Partij van de Dialoog.

Wijkondersteuning in Almere
Goede relaties met de politiek

In 2014 doet Andy voor de eerste keer mee met de verkiezingen. Alhoewel nauwelijks ondersteund door publiciteit weet mensenman Knijpinga toch gemakkelijk enige honderden stemmen te verkrijgen. Het is echter helaas niet voldoende om zitting te nemen in de Gemeenteraad van Almere. De Partij van de Dialoog bleek echter krachtig genoeg om te overleven en nam in 2022 aan de Amsterdamse stadsdeelraad-verkiezingen deel. Hoe dit ook zij, in Almere komt Andy ook in aanraking met Annemarie Jorritsma, die hij van heel veel goede adviezen voorziet, waarmee – het moet gezegd worden – niet altijd direct iets wordt gedaan. Het zijn de regels en wetten die een krachtdadig optreden van Stichting Maatwerk soms in de weg staan. De wil en de politieke relaties zijn echter goed en worden steeds beter in de loop der tijden.

Annabel Nanninga, sterke vrouw
Carolien de Heer: stadsdeelvoorzitter!

In 2018 lukt het moeder Knijpinga met Andy naar Betondorp te komen, een grote buitenkans. Andy is als verzorger van zijn moeder inmiddels zelfstandig en heeft direct een goed contact met gebiedsmakelaar Broer Soolsma, die hem aanspoort en zegt: “Er is geld genoeg beschikbaar voor iemand met jouw ideëen!” Helaas overlijdt Broer Soolsma volkomen onverwacht in 2019 en wordt opgevolgd door Fred Scheepmaker, waar weer een nieuwe relatie moet worden opgebouwd. Hetzelfde geldt voor de wel heel recente wisseling van de wacht: Maarten Poorter die vervangen wordt door Carolien de Heer. Ook op gemeentelijk niveau heeft Andy inmiddels sterke ondersteuning om zijn plannen in Betondorp waar te gaan maken, in de persoon van niemand minder dan Annabel Nanninga, de sterke vrouw van JA21. Ook Annabel is er van overtuigd dat er geld en ruimte voor de plannen van Andy moeten worden ingericht.

Wat zijn die plannen van Andy dan? Allereerst zoekt Andy een ruimte. Zoals iedereen weet is die in Betondorp uiterst schaars gezaaid. Op het ogenblik worden gesprekken met diverse partijen gevoerd. Maar wat is dan de bedoeling precies? Het beste kan dat geïllustreerd worden aan de hand van onderstaand schema dat Andy ons aanreikte. Een mooi programma ter ondersteuning van de buurtbewoners die dat nodig hebben op allerlei gebied.

Ambitieus programma

Gaat het Andy lukken om bovenstaand programma te realiseren? We hopen van harte van wel. Wat mij persoonlijk betreft heb ik ook besloten Andy een handje te gaan helpen, want het is overduidelijk dat hij een enorm hart voor de buurt heeft en ook echt iemand die geliefd is bij de mensen vanwege de menselijke maat die hij hanteert. Of het allemaal gaat lukken, moeten we nog zien. In ieder geval hoeven we ons geen zorgen te maken of Andy wel genoeg te doen heeft, want uit Almere is het verzoek gekomen om mee te denken bij het ondersteunen van Oekraïense vluchtelingen die aan de slag willen. Hoe een en ander ook zij: we wensen Andy alle geluk en succes toe bij de zaken die hij in Betondorp tracht te ondernemen, want hij is ons een mens gebleken met het hart op de juiste plaats!

Categorieën
Interviews Nieuws en interviews

Interview met Auke en Piet Kulderij

Door Rogier Schravendeel

Afgelopen vrijdag 2 juli 2021 interviewden wij Auke en Piet Kulderij. We kwamen het volgende te weten.

Piet is afkomstig van een familie van Hugenoten, die in 1672 uit Frankrijk naar het Noorden moesten vluchten vanwege het verbod op de protestantse godsdienst. De grootvader van Aukje kwam van Antwerpen naar Leeuwarden als ´blauwevakkenschuurder´. Dat heeft te maken met het schuren van stoepen van een bepaald type natuursteen.

Piet en Auke worden allebei in 1932 geboren. In 1943 komt Piet met zijn ouders en zuster vanuit de Lombokstraat in de Indische Buurt in Betondorp te wonen. Piets vader is eigenlijk bakker, maar weet het eind jaren twintig tot tramcondocteur te schoppen: een betere en vooral vaste baan, waarmee het gezin zonder kleerscheuren door de crisis komt. Moeder is coupeuse. Beiden zijn heel links van oriëntatie, maar zonder lid te zijn van een partij of een specifieke verzuilde krant (Het Volk of De Tribune) te hebben. Ze zijn beiden afgevallen van het protestantse geloof.

Aukje wordt geboren in Leeuwarden, waar haar vader bij Koopmans meelfabrieken werkt, en komt in 1953 naar Amsterdam om in een hotel-restaurant te gaan werken. De ouders van Piet overlijden in die periode op jonge leeftijd. Om recht te blijven houden op het huurhuis, samen met zijn zuster, wordt in samenspraak met de bestuurders van Eigen Haard een plan gemaakt. Piet, die al meerderjarig is, mag in het huis blijven zitten als hij zo spoedig mogelijk trouwt. En zo komt Auke in Piets beeld, die via kennissen (groentezaak Anink in de Brinkstraat, waar nu de pedicure zit) op een familiefeestje Piet tegenkomt. Ze trouwen in 1955.

Er zijn in die tijd vijf lagere scholen in Betondorp: vier openbare scholen en één christelijke school, de Groen van Prinsterer, waar Johan Cruijff later nog op zal zitten. Piet, die vanaf 1943 tot 1945 op de Watergraafsmeerschool gezeten heeft – de Joodse kinderen zijn dan inmiddels al weggevoerd – gaat na de oorlog naar de grafische school, waar hij wordt opgeleid tot typograaf. De kinderen van Auke en Piet – een dochter en een zoon – zullen later ook op de Watergraafsmeerschool zitten, na eerst naar de kleuterschool De Merel aan de Zaaiersweg zijn geweest. Vandaag de dag zijn er helaas helemaal geen scholen meer in Betondorp.

De kinderen komen in de jaren vijftig en zestig nauwelijks Betondorp uit. Het hele sociale leven speelt zich af in het dorp zelf. Het is ook echt spannend voor de kinderen om naar de middelbare school te gaan. In de buurt barst het van de kleine ondernemers, die onderling de vakantieperiode afstemmen, en de kinderen spelen behalve in de speeltuin ook heel veel op straat. Daar komt langzaam maar zeker verandering in wanneer de auto de straten gaat opeisen. Steeds meer Betondorpers kunnen zich een automobiel veroorloven en op die manier worden de kinderen langzaam maar zeker van de straat af gedrukt.

Een andere belangrijke ontwikkeling is de komst van de supermarkt. Zoals gezegd hadden de vele kleine winkeliers een belangrijke rol in de buurt. Ze organiseerden al dan niet in verenigingsverband heel wat af. Hart van het dorp was het Meerhuis (waar nu de hindoetempel zit). Hier werden optredens georganiseerd door buurttoneelverenigingen, oefende de harmonie, trad een accordeonorkest op etc. Ook Rita Corita en Zwarte Riek waren wel eens in het relatief kleine zaaltje te bewonderen. Een ander belangrijk gebouw in het hart van Betondorp was in die dagen het Brinkhuis, waar de buurtbibliotheek in gevestigd was. Die werd later nog even vervangen door een bibliobus. Tegenwoordig is welzijnsorganisatie Dynamo in het Brinkhuis gevestigd.

Er waren nog meer centrale voorzieningen die in de loop der tijden al dan niet gesloten werden. Verdwenen is het postkantoortje, alhoewel op Brinkstraat 25 (Oosterwaal) tot sluiting onlangs nog een afgiftepunt gevestigd was. De apotheek is altijd gebleven. Ook is er nog steeds een politiepostje met tegenwoordige wijkagent Monique.de Boer. Ovaart.Auke en Piet herinneren zich nog allerlei optochten met kinderen die gehouden werden, en natuurlijk het befaamde Bessenfeest. Het Bessenfeest werd door woningbouwvereniging Eigen Haard georganiseerd, en kinderen van 6-12 uit heel Amsterdam waren welkom om in de zomer rode bessen (aalbessen) te komen eten in de Tuin. Een vorm van het Bessenfeest wordt nog steeds georganiseerd door Theo en Marion van Buurtparticipatie Betondorp. Een heel bijzondere gebeurtenis was de wielerronde van Betondorp, die in de jaren vijftig een aantal malen werd gehouden. Zoiets zou vanwege de veiligheid nu niet meer kunnen. Er werd veel gevoetbald op straat. Wie een leren bal had, was populair. Ook de speeltuin werd veel gebruikt. Zwemmen kon je in de Weespertrekvaart, vroeger Keulsevaart genoemd.

Ooit waren er 57 winkels in Betondorp. Die tijd is wel lang voorbij. Eerst verdrong de supermarkt de meeste van hen. En daarna verdwenen de supermarkten. Er was vroeger veel meer contact met de bestuurders dan nu. De verenigingen hadden direct contact met de stedelijke bestuurders en politici. Met de stadsdelen kwam daar definitief de klad in. Vandaag de dag is het nauwelijks meer mogelijk contact met de gemeente te krijgen.

Nog even terugkomend op de bouw van Betondorp, dat vroeger Tuindorp Watergraafsmeer genoemd werd. Betondorp was een naam die Amsterdammers aan het Tuindorp gaven, maar geen officiële naam. Er waren vijf soorten woningen, van verschillende architecten. Er was een type bij, met name in de Oogststraat, dat zo slecht was dat het direct al begon te vervallen. De rest werd in de jaren tachtig grondig opgeknapt. Het hele dorp is nu monument. Er mag niets meer veranderd worden. Het is alleen jammer dat er veel mensen zijn die weinig tot niets aan hun tuin doen, of er hooguit tegeld neerleggen. Vroeger was het zo dat alle huizen een heg voor de deur hadden, die door Eigen Haard werd onderhouden. Alles in de buurt was huur. Woningbouwverenigingen waren Eigen Haard, Algemeen (nu Stadgenoot) en de Gemeentelijke Woningdienst (nu Ymere).

Er is de afgelopen 78 jaar veel veranderd. Vooral de auto’s en de komst van supermarkten hebben Betondorp een heel ander aangezicht gegeven. Toch zijn er zeker ook dingen verbeterd. Zo ziet de Brink er tegenwoordig erg mooi uit. Alleen wat meer winkels in Betondorp: dat zou wel prettig zijn.