Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

“Broertje” doodt vogeltje

Uit een interview met Jan Mens en zijn vrouw uit de Leeuwarder Courant, 16 september 1967

“Je moet weten, dat Vinkenoog en de Van het Reves als kinderen ook hier in de buurt woonden. In die jaren hadden wij een huis aan de Middenweg. Onze tuinen grensden aan elkaar en mijn kinderen speelden met de broers Van het Reve: Karel, de prof, die nu in Moskou is en Gerard (“De Avonden”, “Nader tot U”, “Op weg naar het einde”), die wij broertje noemden. Dat Karel bijzonder veel hersens had, bewees hij als kind al.

Vader Van het Reve was redacteur van de “Tribune”. Hij ging veel naar congressen. Toen Karel twaalf jaar was, maakte hij op de schrijfmachine voor zijn vader al vertalingen van verslagen uit het Duits. Gerard leek een stille jongen, een dromer.”

Mevrouw Mens, die koffie brengt, is nog verontwaardigd als zij, inhakend op ons gesprek, zegt: “Soms had “broertje” vreemde streken. Hij liet je erin lopen en deed rotdingen. Zo had hij eens een vogeltje, dat hij onder het zand begroef. Na een tijdje keek hij of het dier al dood was. Leefde het beestje nog, dan pepte hij het weer op om het daarna opnieuw te begraven. Die jongens hadden een vrij leven. Vader was veel weg. Moeder ook door haar werk voor de vrouwenbonden. Ze was fanatiek communiste. Opa paste dan op de jongens en stond achter de wastobbe.”

Categorieën
Biografieën Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Jan Mens publiceert Rafels

Jan Mens wordt in 1897 geboren als de zoon van de uit Den Helder afkomstige diamantslijper Jan Mens en Helena Elisabeth Falke. Zijn vader overlijdt door verdrinking als hij negen is, en zijn moeder gaat werken als dienstbode in de rijke Vondelparkbuurt en wordt later schoonmaakster van kantoren. Jan volgt de Ambachtschool om meubelmaker te worden.

In de Leeuwarder Courant van 16 september 1967 herinnert Jan zich zijn jeugd.

Jan Mens springt terug naar zijn eigen jeugd en de tijd daarna toen uit de uitzichtloosheid van de crisisjaren een verteltrant opbloeide, dat de naam van de werkloze biljartmaker van toen nu doet prijken op wel twee miljoen boekomslagen in een steeds groter aantal landen. “Ook wij jongeren waren dynamisch [refererend aan de jongeren van 1967; red.]. Maar het uitte zich anders. Ik was anarchist, volgeling van Domela Nieuwenhuis. Ik liep mee met de optochten, was ook geheelonthouder en ventte met “De Blauwe Vaan”. Later sloot ik me aan bij de SDAP. De crisis kwam. In zo’n tijd wordt je radicaler. De SDAP werd me te zoetsappig. Ik werd lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij en stuurde ingezonden stukken naar “Het Volk” en het vakblad van de meubelmakersbond.

Willem Royaards

Jan komt met cultuur in aanraking via zijn moeder. Zij maakt ook het repetitielokaal van toneelleider Willem Rooyaards (1867-1929) schoon, en krijgt dikwijls vrijkaartjes voor voorstellingen in het Paleis voor Volksvlijt.

Ik ging daar dan vrijdags – op de eliteavond – heen, mooi opgedoft en met een sigaar van Willem Rooyaards in het hoofd.

Mogelijk speelde Rooyaards enigszins een vaderrol voor de jonge Jan Mens. Door het bijwonen van voorstellingen begint zijn belangstelling voor literatuur te groeien. Na de ambachtschool gaat Jan werken. Hij is dan veertien jaar oud en is geruime tijd meubelmaker op min of meer losse basis, wanneer hij in 1921 in dienst treedt van biljartfabriek Wilhelmina. Hij trouwt in januari 1922 met Abeltje Stenhuis. Ze zullen twee kinderen krijgen, Jan en Lucy. Jan maakt dan de meubels voor zijn eigen huis. Er is niet zoveel bekend over de periode 1922-1933. Maar de crisis nadert en Jan wordt in 1933 werkloos. Hij komt op die manier in de steun terecht en probeert er nog wat bij te verdienen door het maken van kleine voorwerpjes zoals schemerlampjes, kaarsenstandaarden en dergelijke. Maar dat wordt niets, want de concurrentie in het klein gescharrel blijkt moordend.

Maar Jan kan ook schrijven. In eerste instantie schrijft hij zijn ellende van zich af en stuurt af en toe een ingezonden brief naar een krant. Maar al spoedig begint hij stukjes voor geld aan te bieden. Soms wel tien tegelijk.

Als de enveloppe terugkwam, hoorde ik aan de plof op de deurmat, of er een verhaal uit was. Dan had ik weer vijf gulden verdiend en na een paar van die verhalen kon ik een week wegblijven van het stempelen.

Jan begint ook aan een roman te schrijven, Mensen zonder geld. Hij laat het boek zien aan de socialistische schoolmeester-schrijver Theo Thijssen, voor wie hij wat meubelreparaties verricht. Die vindt het een goed boek en helpt met correctie. Er zitten namelijk nogal wat taalfouten in het werk. Het zal echter tot 1938 duren voordat het boek uitkomt.

Het eerste boek van Jan Mens dat wordt uitgebracht is Rafels, dat onder het pseudoniem J. Rebel in 1934 verschijnt bij uitgeverij De Vlam. Het bestaat uit schetsen die eerder zijn verschenen in De Fakkel, het orgaan van de OSP. Het is totaal onverwacht voor Jan dat hij in 1938 de Kosmos Eerstelingen Prijs wint – een geldbedrag van maar liefst 1.000 gulden – voor het ingeleverde typoscript van Mensen zonder geld, dat al jaren langs diverse uitgeverijen zwerft maar nooit werd uitgegeven. Het winnen van deze levert een doorbraak op voor schrijver Jan Mens.

In 1940 verschijnt De gouden reael, wat later onderdeel van de cyclus Griet Manshande zal zijn. Jan schrijft in een enorm tempo door en er verschijnen van 1938-1968 maar liefst 18 titels en inclusief een schoolserie zelfs 43. Rond 1960 is Jan de meest gelezen schrijver van Nederland. Hij woont in Betondorp, eerst op Middenweg 264 huis en later in de Tuinbouwstraat 78 bovenhuis.

Jan Mens (rechts) met zijn vrouw, krijgt in 1962 een prijs van burgemeester van Hall voor de uitgave van zijn miljoenste boek

In de loop van de jaren zestig krijgt Jan, volgens zijn vrouw vanwege het harde werken, een ernstige ziekte, waaraan hij in 1967 overlijdt, net te vroeg om de verfilming van De Kleine Waarheid te beleven, dat begin jaren zeventig door Willy van Hemert op televisie gebracht wordt en enorm succesvol is.

Jan Mens stond niet bekend als een gemakkelijk mens. Sommigen hadden moeite met het feit dat hij zijn vele personages uit bestaande mensen haalde, die hij dan uren of dagen volledig leeg vroeg, maar die hij dan na verschijning van het boek niet meer wilde zien of spreken. In de Telegraaf van 23 januari 1971 verschijnt een uitgebreid interview met de vrouw van Jan, waaruit wij hieronder enige stukken overnemen.

Twee jaar [klopt niet, red.] geleden stierf JAN MENS in zijn woning aan de Tuinbouwstraat in “Betondorp” Amsterdam-Oost. Hij stierf in zijn zelfgemaakte bed op een ochtend nadat hij de krant uit de bus had gehaald en thee had gedronken. Zijn vrouw zei tegen hem, ziende dat hij er niet goed uitzag: “Voel je je niet lekker?” Hij schudde het hoofd. Hij was al twee jaar erg ziek, maar had dit moedig doorstaan. Nu waren zijn krachten op. Zijn vrouw zag het aan zijn gelaatskleur en zijn ogen. Zij belde de dokter. Die kwam. Hij keek mevrouw Mens aan en zijn ogen spraken de duidelijke taal. “Zeg me eens dokter”, zei Jan Men, “is er niks meer aan te doen, sta ik al met een poot in het graf?” De dokter zweeg. “Of moet ik de tweede er ook bij zetten”, zei Jan Mens. Daarna zei hij zijn vrouw goedendag en: “Doe de groten aan de kinderen.” Toen sloot hij de ogen.[…]

“Hele dagen zat hij hier aan die tafel te werken”, zei ze, “en hij schreef altijd hardop, wilde altijd een reactie van me horen als hij bezig was. Hij was ook snel geïrriteerd. Als ik met de buren stond te praten, tikte hij gauw tegen het raam. “Wat een vervelende man heb jij,” zeiden ze dan wel eens tegen mij.

Zij ging door het vuur voor haar man, die ze leerde kennen bij de socialistische beweging Kunst voor Allen. Jan was meubelmaker, maar ook politiek geïnteresseerd. “Zijn broer was later voorzitter van het NVV”, zei ze. “Jan en ik reisden het hele land door om de arbeiders te organiseren. We richtten ook de mijnwerkersbond op. En we bereikten dat die mijnwerkers meeliepen in de een-meiparade.”

[…]

“We gingen ook samen naar Parijs, geweldig was dat. Maar het liefst was Jan toch hier, in deze kleine woning in Betondorp en het gelukkigste was hij als hij ’s avonds door het dorp had gelopen hier en onderweg ergens in een boekenkas in een huis een Jan Mens had gezien. Dan straalde hij gewoon. Hij wilde ook nooit verhuizen, hij gaf niet om geld en luxe, en was tevreden hier.”

Bijzonder is dat een van de eerste boeken uit de Betondorp Bibliotheek hier in Betondorp in de gratis boekenstalletjes gevonden werd onderstaande omnibus van Jan Mens is. Mogelijk heeft hij juist deze omnibus nog door de ramen hier of daar zie staan. Jan Mens vormt wat ons betreft het begin van de Betondorp Bibliotheek. Ons verhaal is hiermee dan rond.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Pacifisten hinderen ds. v.d. Heide

Uit de Nieuwe Schiedamsche Courant van 30 november 1932

Albert van der Heide (1872-1953), de ‘rode dominee’

ONTWAPENAARS IN ACTIE.

Pacifisten hinderen ds. v.d. Heide

Men herinnert zich, hoe eenigen tijd geleden het soc. dem. Tweede Kamerlid ds. A. v.d. Heide door dienstweigeraars, die de hymne “Breekt de zwaarden over de knie” aanhieven, van een spreekgestoelte werd verdreven. De vredelievende elementen hebben het blijkbaar stevig op den vrijzinnigen predikant gemunt en verstoren nu zelfs de godsdienstoefeningen, waarin hij optreedt.

Zondagmorgen vervulde ds. v.d. Heide een spreekbeurt voor vrijzinnig protestanten in Watergraafsmeer [en wel in Betondorp, redactie] . Men deelde nu aan de soc. dem. pers mee, dat deze godsdienstige bijeenkomst op hoogst onbehoorlijke wijze is verstoord door een twintigtal anti-militaristische voorstanders van de persoonlijke dienstweigering, die zich tot taak schijnen te hebben gesteld ds. van der Heider, waar hij als spreker of predikant optreedt, lastig te vallen.

Tijdens de preek van ds. v.d. Heide, begon plotseling een aantal jongelingen in spreekkoor kabaal te maken. Hierdoor ontstond een groote consternatie en een deel van de aanwezigen reageerde op die ordeverstoring o.a. door op in de koor geroepen vraag: Waar behooren de dienstweigeraard? te antwoorden: “In de gevangenis” en “In Veenhuizen”.

Inmiddels werd politiehulp ingeroepen en toen een paar agenten verschenen, verlieten ongeveer twintig personen vrijwillig de zaal. De politie schijnt tegen geen der ordeverstoorders proces-verbaal te hebben opgemaakt, maar bleef toezicht houden.

Ds. v.d. Heide vervolgde toen zijn toespraak, maar toen hij constateerde dat de rust was teruggekeerd stonden opnieuw twee lieden op die iets schreeuwden.

Toen dit tweetal verwijderd was, kon de soc. dem. predikant rustig doorspreken. Inmiddels schijnen de vredelievende dienstweigeraars ook al pacifisten van een eigenaardig soort te zijn!

In De arbeider; socialistisch weekblad voor de provincie Groningen. is in de uitgave van 24 december 1932 een nabeschouwing op het gebeuren te vinden.

Ds. A. v.d. Heide en de dienstweigeraars

Zooals bekend, werd eenige weken geleden in een godsdienstige samenkomst in het Betondorp te Amsterdam door een aantal geestverwanten geprotesteerd tegen Ds. v.d. Heide, wegens de aangenomen houding tegenover de dienstweigeraars in de strafgevangenis te Scheveningen. Van dit gebeurde werd, behalve in de revolutionaire pers, ook bekendheid gegeven in “Het Algem. Handelsblad” en “Het Volk”. Terwijl echter het Handelsblad zonder eenig commentaar een bloote vermelding der feiten gaf, plaatste “Het Volk” van diezelfde gegevens scheeve en onware berichten. “Het Volk” sprak van “verstoring op hoogst onbehoorlijke wijze”, van herrie schoppen”, “kabaal” enz.

Eenigen tijd later verschenen echter berichten in het buurtorgaan “Ons Weekblad” waarin op juiste wijze een relaas werd gegeven van het gebeurde, ook met vermelding van de geuite woorden door onze geestverwanten, gevolgd door een verklaring, waarom een dergelijke wijze van protesteeren werd toegepast. Uit het relaas bleek ook, dat het protest op waardige wijze had plaats gevonden.

Intusschen bleek echter, dat “Het Volk” door zijn scheeve voorstelling nog steun had gevonden in een partijgenoote, L. v.d. B. uit Stompetoren, die het ook voor Ds. v.d. Heide opnam en de afstraffing van de dienstweigeraars goedkeurde onder het motto: de dienstweigeraars hadden de bevelen van de bewakers niet opgevolgd.

Terwijl het hier toch blijkt dat “Het Volk” steeds openstaat voor berichtgeving en beoordeeling van totaal onkundigen, die van het geheele geval niets begrijpen en dan naar aanleiding van gestook in “Het Volk” naar de pen grijpen, was het onmogelijk eenige polemiek in hetzelfde arbeidersorgaan te voeren. Wij laten hier het geweigerde ingezonden stuk volgen, alsook het antwoord van de redactie van “Het Volk”.

Het ingezonden stuk luidde als volgt:

“In het avondblad van 3 dezer vind in onder het opschrift “Herriemakende dienstweigeraars” een stukje, waarin Mevr. v.d. W.-d. B toegeeft, dat er indertijd gevangen dienstweigeraars door bewakers geslagen zijn, in welke zaak ook Ds. v.d. Heide betrokken was. Aan het slot zegt zij: Ds. v.d. H. heeft gelijk in deze zaak, nadat zij eerst heeft doen uitkomen, dat de geslagen dienstweigeraars opstandig geweest waren. Moet ik hieruit nu opmaken dat verzet tegen aangedaan onrecht niet goed is, dat het niet alleen volgens de wet strafbaar is, maar ook volgens sociaal-democratische moraal?

Ik weet het niet meer, want onlangs zei “Wakker” voor de Vara-microfoon tegen “Tropenduit” dat wij verzet moeten kweeken. Maar zelfs als we het verzet moeten smoren of in andere banen moeten leiden, blijft het dan niet laf om weerlooze gevangenen te slaan?”

Het antwoord van de redactie van “Het Volk” luidde alsvolgt:

“Uiteraard is de bedoeling, dat de herriemakers niet anders dan met eenig geweld tot de orde konden worden gebracht. Er bestaat dus geen aanleiding het hierbij teruggaande op te nemen.”

Hieruit blijkt dus duidelijk, welke houding het zich noemende arbeidersblad aanneemt tegenover een zoo belangrijke kwestie als het dienstweigeringsvraagstuk, waar toch de geheele samenleving, wetens of onwetens, belang bij heeft.

De sociaal-democratische beweging steunt de pogingen van een afgevaardigde in de Tweede Kamer, die als bijbaantje dominee en regent van een gevangenis is, om de dienstweigeraars te nekkenn. De sociaal-democratische pers stelt zijn kolommen ter beschikking om allerlei onware beschuldigingen en onwaarheden te vermelden, maar weigert een polemiek te openen met de dienstweigeraars, die aan den lijve de behandeling, uitgevoerd onder toezicht van Ds. v.d. Heide, hebben ondervonden, benevens met personen, die aanwezig zijn geweest bij de uitingen van protest. De sociaal-democratische pers zwijgt en blijft zwijgen, ondanks berichten in “Ons Weekblad”, welk blad toch niet het streven van de dienstweigeraars voorstaat.

Wij hebben ons verplicht gevoeld in het belang van de dienstweigeraars en van de geheel anti-militaristische beweging bekendheid te geven aan de feiten, betrekking hebbende op het protest.

Wij zullen voortgaan het masker af te rukken van het zoogenaamd anti-militaristisch gedoe van de sociaal-democratische beweging, waardoor instituten worden opgericht als de Nat. Vredescentrale.

Ons parool blijft: overal waar zulks mogelijk blijft, de aandacht te vestigen op de dienstweigeraars, onder de leuze: de dienstweigeraars moeten vrij.

Dankend voor de verleende plaatsruimte. Namens het Comité van protest tegen Ds. v.d. Heide.

L.S.

Helaas wisten wij noch de locatie in Betondorp van de hierboven beschreven protesten te vinden (mogelijk in het Verenigingsgebouw?) noch Ons Weekblad te achterhalen.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

De Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij

Stan Poppe ca. 1922

De Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) is een fusie uit 1935 van de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) en de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). De partij heeft een eigen blad: De nieuwe fakkel. De lijn van de partij is anti-stalinistisch en internationaal socialistisch in de lijn van Trotski: wel voor communisme, maar niet binnen natiegrenzen, zoals bijvoorbeeld in de Sovietunie.

Nelis Kitsz

Bij de propagandatocht na samenvoeging van beide partijen wordt ook Betondorp aangedaan. Op 20 juni 1935 spreken Nelis (Cornelis) Kitsz en Stan (Constant Johan Hendrik) Poppe in het Meerhuis op de Brink. Stan Poppe (1899-1991) had veel voor de partij opgegeven. Hij was belastingambtenaar en verloor zijn baan toen hij een principiële keuze maakte toen het lidmaatschap van de OSP voor ambtenaren werd verboden. Poppe overleefde de oorlog, werd weer belastingambtenaar, bemoeide zich niet meer met actieve politiek maar bleef wel schrijven in het internationaal socialistische blad Spartacus.

Henk Sneevliet

Cornelis Kitsz overleefde de oorlog ook. Hij was metselaar en was lid van het anarchistisch vakverbond NAS en brak samen met Henk Sneevliet in 1927 met de door de Soviet Unie gedomineerde CPN en de Communistische Internationale. Kitsz trok zich tijdens de oorlog volledig terug uit de politiek. Na de oorlog was hij hoofdbestuurder en voorzitter van de Federatie Amsterdam van de Algemene Bond van Ouden van Dagen en daarin zeer actief, door onder andere tot op hoge leeftijd het land door te trekken en ouderen aan te sporen zich te organiseren.

Ondanks de avond in Betondorp – de partij colporteert ook in het dorp – zou de partij weinig succes hebben bij de Nederlandse verkiezingen. Bij de Amsterdamse Gemeenteraadsverkiezingen van 1935 behaalde de RSAP 3% van de stemmen (SDAP 33% van de stemmen), maar raakte de enige kamerzetel – van voorman Henk Sneevliet (RSP) – in 1937 kwijt. In 1939 behaalde de partij in Amsterdam nog 2% van de stemmen en Henk Sneevliet nam toen plaats in de Gemeenteraad, waaruit hij in juli 1940 zou worden verwijderd op last van de bezetter. Sneevliet zou in de oorlog in het verzet gaan en werd in 1942 door de nationaalsocialisten gefusilleerd.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Wat leert ons Spanje?

Dinsdagavond 24 november 1936 vindt in het Meerhuis in Betondorp een vergadering plaats van de Internationale Anti Militaristische Beweging samen met de Vrije S.V. Betondorp. De avond begint om 8 uur en spreker is de bekende activist Jo de Haas. Thema van de avond is: “Wat leert ons Spanje?” In dat land is zojuist burgeroorlog uitgebroken. De toegangsprijs voor de avond is 15 cent; voor werkelozen 5 cent.

De avond is een groot succes, volgens De arbeider, socialistisch weekblad voor de provincie Groningen, die op 28 november 1936 een verslag schrijft, dat we hieronder integraal overnemen.

Jo de Haas, propagandist voor het vrije socialisme, gefusilleerd op 10 april 1945

De actie in Betondorp

De Openbare Vergaering belegd door de Vrije S.V. Betondorp in combinatie met de I.A.M.V afd. A’dam is prachtig geslaagd. Spreker was Jo de Haas, met als onderwerp de gebeurtenissen in Spanje.

Met volle aandacht volgde men den spreker z’n twee volle urenbetoog voor ’t “Anti-militarisme”. Er waren enkele debaters, die door H. goed en logisch werden beantwoord. Er was nog deklamatie door mej. Zurendonk en er waren circa 100 mensen aanwezig, wat voor Betondorp als goed geslaagd mag heten.

Met al en al, een zeer mooie en leerzame vergadering. De mensen daar kunnen met tevredenheid op hun werk terugzien. En nu voorwaarts naar een nieuwe vergadering.

Marius

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Koemi Orie

Het Joodsch Socialistisch Verbond Poale Zion heeft als doelstelling Joden over te halen naar Palestina te reizen om dat land te gaan opbouwen. Daartoe houdt de afdeling Amsterdam op maandag 20 februari 1939 een propaganda-avond in het Meerhuis op de Brink. Sprekers zijn J. van Blitz en J. Wins. De avond begint om 20.30 uur. Leden in Betondorp wordt verzocht bekenden in de buurt op te wekken deze vergadering bij te wonen.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Kolonie 150

Begin 1940 is de oorlog nabij, maar nog niet begonnen. Het Joodsch Socialistisch Verbond Poale Zion is druk bezig met propaganda voeren in Amsterdam voor het Joods Nationale Huis in Palestina. Lopende actie is het bij elkaar sparen van gelden voor kolonie 150, een Joodse kolonie in Palestina die onder primitieve omstandigheden van de grond probeert te komen. Daartoe wordt een grote huisbezoekactie voorbereid bij alle Joodse gezinnen in de Transvaalbuurt, Betondorp en de Smaragdpleinomgeving, tegenwoordig Diamantbuurt.

Blijkbaar zijn dit de buurten waar het meest enthousiasme voor de doelstellingen van Poale Zion bestaat: Joods én socialistisch, en meestal niet meer religieus. In de meer religieuze Joodse kringen is in deze periode veel minder belangstelling voor het vertrekken naar wat nu Israël heet. Hun doelstelling is vooral om integratie en assimilatie van het Joodse bevolkingsdeel van Amsterdam tegen te gaan – een proces dat bij de Joodse socialisten al een aardig eind halfwege is – en vanuit soevereiniteit in eigen kring de kudde bij elkaar te houden. We schrijven maart 1940 en de schaduwen van de oorlog hangen al enige tijd boven het land.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Bestelt uw kolen

Uit: Proletarische vrouw, blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, 8-5-1940
Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940 Geschiedenis 1941-1950 Geschiedenis 1951-1960

Daems

Uit Mercurius; orgaan van de Vereeniging van Handelsbedienden Mercurius, 25 juli 1959

‘Informateur’ J.M. Daems jubileert

Ten oosten van Amsterdam, ingeklemd tussen de uitvalswegen Middenweg en Weesperzijde ligt een stadsdeel dat door zijn geïsoleerde ligging door de jaren heen zijn zelfstandig karakter heeft behouden. Het draagt de lelijke naam ‘Betondorp’ en dat komt omdat de gemeente Amsterdam er een aantal huizen heeft laten neerzetten (zo’n 35 jaar geleden) waarvan de muren geheel uit beton zijn opgetrokken. Om die grijze muurvlakken wat aan het oog te onttrekken heeft men er later klimop tegen laten groeien, maar dat moest al gauw weer worden verwijderd, omdat deze begroeiing funest bleek in te werken op het beton. Er staan in het Betondorp ook huizen met een vriendelijker aanzien, huizen met lichtrode daken en muren, gemetseld van oude en vertrouwde bakstenen. Dat zijn onder meer de huizen van de Algemene Woningbouw Vereniging. In een van de huizen, om precies te zijn in de Ploegstraat op nr. 69 (alle straatnamen in het Betondorp zijn aan het agrarische leven ontleend) woont ons lid J.M. Daems, bondsnummer 3187, toegetreden op 16 juli 1928 (maar hij was ook al eerder lid) en drager van het zilveren bondsinsigne.

Met het noemen van de naam ‘Algemene Woningbouw Vereniging’ komen wij tot de kern van de zaak, die we willen aanroeren. Want niet alleen dat onze vriend J.M. Daems woont in een van de huizen van de AWV, hij is er ook bij in dienst en op woensdag 15 juli 1959 was dat 25 jaar het geval.

‘Vijfentwintig jaar in dienst’, achter deze woorden kan een gewone zakelijke verhouding schuil gaan, maar dat kan niet worden gezegd van het dienstverband van Daems met de AWV. Dat blijkt wel uit enkele zinsneden van de brief waarmee men van de zijde van de AWV onze aandacht vestigde op zijn jubileum. Deze luidden:

‘Is vergroeid met de vereniging en is zeer gezien in alle buurten waar men hem kent. Voor alles gemeenschapsmens en idealist in hart en nieren.’

Een schoner kenschets kan men haast niet wensen. Uit deze zinsneden blijkt tevens, dat Daems een functie heeft in de buitendienst van de AWV. Het bijzondere van deze functie is dat ze moeilijk met een enkel woord is aan te duiden. Officieus heeft men Daems wel eens ‘informateur’ genoemd. Aanvankelijk was onze jubilerende collega werkzaam als incasseerder, maar toen in de loop van de jaren Daems, naast een goed en accuraat inner van de huren, ook een uitmuntend bemiddelaar in allerlei kwesties (meningsverschillen tussen huurders, onderhoudszaken, achterstand in de huurbetaling) bleek te zijn, werd hij van het incasseren vrijgesteld en geheel belast met deze taak van ‘onderhandelaar’, een taak, die zich in de jaren na de oorlog nog heeft uitgebreid door het bezoeken van die kandidaat-huurders wie door het huisvestingsbureau van de AWV wordt aangewezen, maar nog geen lid zijn van de vereniging. Daems zelf noemt zich de ‘Haarlemmerolie’ van de AWV. En als u weet dat Haarlemmerolie voor onze grootvaders en – moeders een huismiddel was tegen allerlei kwalen (van likdoorns tot darmstoornissen toe), dan zal u deze benaming ook wel duidelijk zijn.

Wij moeten nog even terug naar het Amsterdamse Betondorp. Dit stadsdeel (met zijn lage huisjes en een ‘brink’ inderdaad een dorp op zichzelf) is te allen tijde een sterk bolwerk geweest van de hoofdstedelijke socialistische beweging. Vóór de oorlog had de SDAP daar een stemmenpercentage van 63 pct. Vriend Daems heeft in het werk voor de ‘beweging’ een grote rol gespeeld in allerlei functies en heeft een schat van herinneringen aan de verkiezingsstrijd in vroeger jaren, toen men de verkiezingsleuzen nog in metergrote letters op het plaveisel kalkte en de politie-agenten in het dorp de stadsbussen deden omrijden omdat de letters nog nat waren.

Ook de Algemene Woningbouw Vereniging heeft sterke banden met de algemene arbeidersbeweging en het staat dus vast dat de werkuren en de vrije tijd bij vriend Daems vrijwel in elkaar overliepen (‘hij was alleen maar zaterdagsavonds thuis’, zegt zijn vrouw). Maar ook is het zeker dat hem dit veel vreugde en voldoening heeft verschaft.

Op het moment dat wij dit schrijven moet Daems nog gehuldigd worden (op donderdag 16 juli). Dat dan de hartelijkheid sterk zal overheersen is zeker, ja, men zal moeite moeten doen om zich te matigen, want van persoonsverheerlijking is collega Daems niet gediend. Dat heeft hij ons duidelijk laten blijken en wij hopen nu maar dat we erin geslaagd zijn dit artikeltje ook voor hem dragelijk leesbaar te maken.

Fr. J.U.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Lekker fris

Uit een interview met Milly Willert in het Algemeen Dagblad, 12 oktober 1971

Op het toneel, dat heb ik altijd al gewild, sinds mijn jeugd in het Amsterdamse Betondorp. Ik ben altijd opgetrokken met Kareltje en Gerardje van het Reve, oh, dat waren van die leuke, humoristische jochies. Mijn vader zat in het reclame-vak en hij sympathiseerde met de communisten omdat hij de SDAP niet links genoeg vond.

Dus ik zat net als Gerardje en Kareltje bij de communistische jeugd, bij de Vrolijke Brigade, een soort circus Elleboog uit die tijd. Ik trok altijd met die jongens op omdat ze wat zelfstandiger waren.

Ja, zeg, die Karel is nu professor, maar als jochie van zo’n jaar of twaalf kon hij erg geestige dingen zeggen. Ik moest daar altijd vreselijk om lachen en op een gegeven moment werd ik door de leidster uit de Vrolijke Brigade gezet omdat ik weer met Kareltje in de weer was. Flirten noemde ze dat. Ik wist niet eens wat dat betekende. Trouwens Gerard had toen ook al een absurd geboel voor humor. Hij heeft een keer zijn eigen urine opgedronken. Lekker fris, zei hij, en wij maar lachen.