Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Meerhuis vangt regenslachtoffers op

Tokkies in het Meerhuis op de Brink

In de nacht van 9 op 10 december 1965 vindt in Amsterdam een dermate zware regenval plaats dat een aantal woningen niet meer te gebruiken is. Het Meerhuis op de Brink – ook wel bekend als het Verenigingsgebouw – wordt ingezet om slachtoffers op te vangen en slaapruimte te bieden. In totaal moeten 25 Amsterdammers hun woningen verlaten. Het 25-tal wordt grotendeels gevormd uit de familie Tokkie uit de Kattenburgertussenstraat, bestaande uit man en vrouw en 11 kinderen. Ook bewoners uit de Linnaeusdwarsstraat en de Boomstraat in de Jordaan zien zich gedwongen door de wateroverlast hun woningen te verlaten.

Het Meerhuis wordt al enige tijd gebruikt als opvangcentrum bij calamiteiten. Zo wordt er in augustus 1965 het gezin Raatgever van de Bilderdijkkade opgevangen, waarvan het huis is afgebrand doordat het vijfjarig dochtertje de brandende oliekachel omstoot. In januari 1965 trekken drie gezinnen, die bij de brand op Spuistraat 240 dakloos zijn geworden, in op de bovenverdieping van het verenigingsgebouw op de Brink. In maart 1963 worden een deel van de twaalf gezinnen (in totaal 53 mensen) opgevangen, die hun bouwvallige huizen in de Borgerstraat noodgedwongen moeten verlaten.

De onderafdeling calamiteiten van de Gemeentelijke Sociale Dienst, in de volksmond wel de rampendienst genoemd, is verantwoordelijk voor de opvang van slachtoffers van noodsituaties. De rampendienst werd opgericht naar aanleiding van de instorting van een flatgebouw aan de Vijzelstraat in 1956. Er kunnen ongeveer 50 mensen gehuisvest worden in het Meerhuis.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Boer Koekoek

Ondanks het feit dat Betondorp ook wel het Landbouwkwartier genoemd wordt, verkrijgt boer Koekoek, die in maart 1966 aan de verkiezingen meedoet, er weinig aanhang. Het percentage Boerenpartij-stemmers is in Betondorp zelfs het laagste van heel Amsterdam: 5,3% van de stemmen.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Tuindorp Watergraafsmeer in plaats van Betondorp

J.C. Compaan krijgt op 12 januari 1966 ruimte voor een ingezonden stukje in het Algemeen Handelsblad.

Tuindorp Watergraafsmeer

In uw rubriek : Onder de Keizerskroon” van 8 dezer worden enige opmerkingen gemaakt over het lang blijven hangen van reeds lang afgeschafte of verouderde namen van straten, buurten enz. De in bedoelde rubriek gegeven voorbeelden kunnen nog wel worden aangevuld. Het Tuindorp Watergraafsmeer bijv. wordt door ontelbaar velen, ook onlangs nog duur uw blad, nog steeds aangeduid met de lelijke naam “Betondorp”. Deze naam is echter reeds enige tientallen jaren geleden afgeschaft. Het indertijd bestaande plan om hier betonnen huizen te bouwen is slechts zeer gedeeltelijk uitgevoerd en de toen gebouwde betonnen huizen vormen slechts een klein gedeelte van het tegenwoordige Tuindorp Watergraafsmeer.

Merkwaardig is dat zelfs sommige gemeentelijke instanties nog steeds de volkomen onjuiste benaming “Betondorp” blijven hanteren.

J.C. COMPAAN

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Apotheek sluit de deuren

In Betondorp is de consternatie groot wanneer in februari 1966 de enige apotheek, de Landbouwapotheek, aankondigt de deuren te gaan sluiten. Dit heeft te maken met nieuwe wetgeving op het gebied van inrichting van apotheken: voortaan heeft een apotheek maar liefst zeven verschillende af te scheiden ruimtes nodig. Dit is veel te duur voor de bestaande apotheek in verhouding tot het geringe aantal gebruikers: Betondorp kent dan ongeveer 4.000 bewoners.

De apotheek heeft het zo lang vol weten te houden omdat een groot aantal personen uit Diemen er gebruik van maakte. In Diemen is echter de bestaande apotheek nu wel uitgebreid en van alle moderne gemakken voorzien. Dat betekent dat de Landbouwapotheek zich niet langer weet te handhaven. Op het adres blijft het voorlopig nog wel mogelijk enkele uren per dag medicijnen op te halen.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1961-1970

Te oud voor Ajax

Op een instuif van Ajax in mei 1966 vraagt een verslaggever aan de jeugdtrainer van Ajax, Piet Koekebakker, waarom dit nieuwe evenement – waar 180 jonge voetballers uit het hele land op afkomen – voor de eerste keer is georganiseerd.

“We hebben geen achterland meer,” geeft Koekebakker als antwoord. “Betondorp is te oud geworden. We zullen het straks van de Bijlmermeer moeten hebben.”

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1951-1960 Geschiedenis 1961-1970

Valsheid in geschrifte

Uit De Tijd, 25 mei 1967

Boete (f250) voor kapelaan en penningmeester

AMSTERDAM, 25 mei – De rechtbank heeft de 41-jarige kapelaan W.F. van der K. uit Alkmaar wegens valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, veroordeeld tot f 250,- boete subs. 25 dagen hechtenis. Tot dezelfde straf en voor hetzelfde feit werd de 41-jarige penningmeester van de katholieke vakantieschool “Licht en lucht”, J. van de H. uit Amsterdam veroordeeld.

De kapelaan was van 1958 tot 1963 in de “Christus Koning” parochie in Betondorp geestelijk adviseur en directeur van de vakantieschool geweest. In die periode had hij de exploitatierekeningen mede ondertekend, wetende dat daarin voorkomende gegevens niet juist waren. De penningmeester had uitgaven vermeld die niet waren gedaan en de opbrengst van collecten lager geboekt dan zijn waren geweest. Het oogmerk voor deze valse boekingen was geweest het verkrijgen van een grotere subsidie van de centrale bond van katholieke vakantiescholen en de gemeente Amsterdam. Dit bleek echter zinloos te zijn geweest. Tegen de kapelaan was een boete van f 200 plus twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en tegen de penningmeester een boete van f 100 en een maand voorwaardelijk geëist.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

“Broertje” doodt vogeltje

Uit een interview met Jan Mens en zijn vrouw uit de Leeuwarder Courant, 16 september 1967

“Je moet weten, dat Vinkenoog en de Van het Reves als kinderen ook hier in de buurt woonden. In die jaren hadden wij een huis aan de Middenweg. Onze tuinen grensden aan elkaar en mijn kinderen speelden met de broers Van het Reve: Karel, de prof, die nu in Moskou is en Gerard (“De Avonden”, “Nader tot U”, “Op weg naar het einde”), die wij broertje noemden. Dat Karel bijzonder veel hersens had, bewees hij als kind al.

Vader Van het Reve was redacteur van de “Tribune”. Hij ging veel naar congressen. Toen Karel twaalf jaar was, maakte hij op de schrijfmachine voor zijn vader al vertalingen van verslagen uit het Duits. Gerard leek een stille jongen, een dromer.”

Mevrouw Mens, die koffie brengt, is nog verontwaardigd als zij, inhakend op ons gesprek, zegt: “Soms had “broertje” vreemde streken. Hij liet je erin lopen en deed rotdingen. Zo had hij eens een vogeltje, dat hij onder het zand begroef. Na een tijdje keek hij of het dier al dood was. Leefde het beestje nog, dan pepte hij het weer op om het daarna opnieuw te begraven. Die jongens hadden een vrij leven. Vader was veel weg. Moeder ook door haar werk voor de vrouwenbonden. Ze was fanatiek communiste. Opa paste dan op de jongens en stond achter de wastobbe.”

Categorieën
Biografieën Geschiedenis Geschiedenis 1931-1940

Jan Mens publiceert Rafels

Jan Mens wordt in 1897 geboren als de zoon van de uit Den Helder afkomstige diamantslijper Jan Mens en Helena Elisabeth Falke. Zijn vader overlijdt door verdrinking als hij negen is, en zijn moeder gaat werken als dienstbode in de rijke Vondelparkbuurt en wordt later schoonmaakster van kantoren. Jan volgt de Ambachtschool om meubelmaker te worden.

In de Leeuwarder Courant van 16 september 1967 herinnert Jan zich zijn jeugd.

Jan Mens springt terug naar zijn eigen jeugd en de tijd daarna toen uit de uitzichtloosheid van de crisisjaren een verteltrant opbloeide, dat de naam van de werkloze biljartmaker van toen nu doet prijken op wel twee miljoen boekomslagen in een steeds groter aantal landen. “Ook wij jongeren waren dynamisch [refererend aan de jongeren van 1967; red.]. Maar het uitte zich anders. Ik was anarchist, volgeling van Domela Nieuwenhuis. Ik liep mee met de optochten, was ook geheelonthouder en ventte met “De Blauwe Vaan”. Later sloot ik me aan bij de SDAP. De crisis kwam. In zo’n tijd wordt je radicaler. De SDAP werd me te zoetsappig. Ik werd lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij en stuurde ingezonden stukken naar “Het Volk” en het vakblad van de meubelmakersbond.

Willem Royaards

Jan komt met cultuur in aanraking via zijn moeder. Zij maakt ook het repetitielokaal van toneelleider Willem Rooyaards (1867-1929) schoon, en krijgt dikwijls vrijkaartjes voor voorstellingen in het Paleis voor Volksvlijt.

Ik ging daar dan vrijdags – op de eliteavond – heen, mooi opgedoft en met een sigaar van Willem Rooyaards in het hoofd.

Mogelijk speelde Rooyaards enigszins een vaderrol voor de jonge Jan Mens. Door het bijwonen van voorstellingen begint zijn belangstelling voor literatuur te groeien. Na de ambachtschool gaat Jan werken. Hij is dan veertien jaar oud en is geruime tijd meubelmaker op min of meer losse basis, wanneer hij in 1921 in dienst treedt van biljartfabriek Wilhelmina. Hij trouwt in januari 1922 met Abeltje Stenhuis. Ze zullen twee kinderen krijgen, Jan en Lucy. Jan maakt dan de meubels voor zijn eigen huis. Er is niet zoveel bekend over de periode 1922-1933. Maar de crisis nadert en Jan wordt in 1933 werkloos. Hij komt op die manier in de steun terecht en probeert er nog wat bij te verdienen door het maken van kleine voorwerpjes zoals schemerlampjes, kaarsenstandaarden en dergelijke. Maar dat wordt niets, want de concurrentie in het klein gescharrel blijkt moordend.

Maar Jan kan ook schrijven. In eerste instantie schrijft hij zijn ellende van zich af en stuurt af en toe een ingezonden brief naar een krant. Maar al spoedig begint hij stukjes voor geld aan te bieden. Soms wel tien tegelijk.

Als de enveloppe terugkwam, hoorde ik aan de plof op de deurmat, of er een verhaal uit was. Dan had ik weer vijf gulden verdiend en na een paar van die verhalen kon ik een week wegblijven van het stempelen.

Jan begint ook aan een roman te schrijven, Mensen zonder geld. Hij laat het boek zien aan de socialistische schoolmeester-schrijver Theo Thijssen, voor wie hij wat meubelreparaties verricht. Die vindt het een goed boek en helpt met correctie. Er zitten namelijk nogal wat taalfouten in het werk. Het zal echter tot 1938 duren voordat het boek uitkomt.

Het eerste boek van Jan Mens dat wordt uitgebracht is Rafels, dat onder het pseudoniem J. Rebel in 1934 verschijnt bij uitgeverij De Vlam. Het bestaat uit schetsen die eerder zijn verschenen in De Fakkel, het orgaan van de OSP. Het is totaal onverwacht voor Jan dat hij in 1938 de Kosmos Eerstelingen Prijs wint – een geldbedrag van maar liefst 1.000 gulden – voor het ingeleverde typoscript van Mensen zonder geld, dat al jaren langs diverse uitgeverijen zwerft maar nooit werd uitgegeven. Het winnen van deze levert een doorbraak op voor schrijver Jan Mens.

In 1940 verschijnt De gouden reael, wat later onderdeel van de cyclus Griet Manshande zal zijn. Jan schrijft in een enorm tempo door en er verschijnen van 1938-1968 maar liefst 18 titels en inclusief een schoolserie zelfs 43. Rond 1960 is Jan de meest gelezen schrijver van Nederland. Hij woont in Betondorp, eerst op Middenweg 264 huis en later in de Tuinbouwstraat 78 bovenhuis.

Jan Mens (rechts) met zijn vrouw, krijgt in 1962 een prijs van burgemeester van Hall voor de uitgave van zijn miljoenste boek

In de loop van de jaren zestig krijgt Jan, volgens zijn vrouw vanwege het harde werken, een ernstige ziekte, waaraan hij in 1967 overlijdt, net te vroeg om de verfilming van De Kleine Waarheid te beleven, dat begin jaren zeventig door Willy van Hemert op televisie gebracht wordt en enorm succesvol is.

Jan Mens stond niet bekend als een gemakkelijk mens. Sommigen hadden moeite met het feit dat hij zijn vele personages uit bestaande mensen haalde, die hij dan uren of dagen volledig leeg vroeg, maar die hij dan na verschijning van het boek niet meer wilde zien of spreken. In de Telegraaf van 23 januari 1971 verschijnt een uitgebreid interview met de vrouw van Jan, waaruit wij hieronder enige stukken overnemen.

Twee jaar [klopt niet, red.] geleden stierf JAN MENS in zijn woning aan de Tuinbouwstraat in “Betondorp” Amsterdam-Oost. Hij stierf in zijn zelfgemaakte bed op een ochtend nadat hij de krant uit de bus had gehaald en thee had gedronken. Zijn vrouw zei tegen hem, ziende dat hij er niet goed uitzag: “Voel je je niet lekker?” Hij schudde het hoofd. Hij was al twee jaar erg ziek, maar had dit moedig doorstaan. Nu waren zijn krachten op. Zijn vrouw zag het aan zijn gelaatskleur en zijn ogen. Zij belde de dokter. Die kwam. Hij keek mevrouw Mens aan en zijn ogen spraken de duidelijke taal. “Zeg me eens dokter”, zei Jan Men, “is er niks meer aan te doen, sta ik al met een poot in het graf?” De dokter zweeg. “Of moet ik de tweede er ook bij zetten”, zei Jan Mens. Daarna zei hij zijn vrouw goedendag en: “Doe de groten aan de kinderen.” Toen sloot hij de ogen.[…]

“Hele dagen zat hij hier aan die tafel te werken”, zei ze, “en hij schreef altijd hardop, wilde altijd een reactie van me horen als hij bezig was. Hij was ook snel geïrriteerd. Als ik met de buren stond te praten, tikte hij gauw tegen het raam. “Wat een vervelende man heb jij,” zeiden ze dan wel eens tegen mij.

Zij ging door het vuur voor haar man, die ze leerde kennen bij de socialistische beweging Kunst voor Allen. Jan was meubelmaker, maar ook politiek geïnteresseerd. “Zijn broer was later voorzitter van het NVV”, zei ze. “Jan en ik reisden het hele land door om de arbeiders te organiseren. We richtten ook de mijnwerkersbond op. En we bereikten dat die mijnwerkers meeliepen in de een-meiparade.”

[…]

“We gingen ook samen naar Parijs, geweldig was dat. Maar het liefst was Jan toch hier, in deze kleine woning in Betondorp en het gelukkigste was hij als hij ’s avonds door het dorp had gelopen hier en onderweg ergens in een boekenkas in een huis een Jan Mens had gezien. Dan straalde hij gewoon. Hij wilde ook nooit verhuizen, hij gaf niet om geld en luxe, en was tevreden hier.”

Bijzonder is dat een van de eerste boeken uit de Betondorp Bibliotheek hier in Betondorp in de gratis boekenstalletjes gevonden werd onderstaande omnibus van Jan Mens is. Mogelijk heeft hij juist deze omnibus nog door de ramen hier of daar zie staan. Jan Mens vormt wat ons betreft het begin van de Betondorp Bibliotheek. Ons verhaal is hiermee dan rond.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1924-1930

Geen luchtbanden voor Betondorp

Het is Buurtvereeniging Amsterdam-Oost die in het voorjaar van 1925 een adres indient bij de Gemeenteraad van Amsterdam waarin gepleit wordt voor een autobusverbinding met het nieuwe stadsgedeelte Betondorp. Op de vergadering van 24 juni 1925 wordt het adres behandeld. Door Doornbusch en Wijnkoop (CPH) wordt gepleit lijn A te doen doortrekken naar het Betondorp. Wethouder Wibaut (SDAP) heeft hier moeite mee, omdat al eerder geconstateerd was dat het doortrekken van deze lijn op ernstige bezwaren stuitte. De beslissing wordt op voorstel van Wijnkoop uitgesteld naar een volgende vergadering.

Deze vergadering vindt op woensdag 8 juli 1925 plaats. We citeren uit De Standaard van die dag.

Het Betondorp

Hierna komt aan de orde het adres van de Buurtver. Amsterdam-Oost inzake de verbinding van het landbouwkwartier met het overige gedeelte der stad met het voorstel van B. en W. om dit adres te stellen in hun handen ter afdoening en het voorstel-Doornbusch c.s. om autobuslijn A door te trekken tot het Betondorp en autobuslijn D tot het Thorbeckeplein.

De heer Dornbusch licht zijn voorstel nader toe en wijst er nogmaals – evenals in een vorige zitting – op, dat passagiers van lijn D, die thans tot het Amstelhotel leidt, gedwongen zijn ook nog een tram te nemen. En ook de trams zijn te duur. Niet voor een Raadslid; want deze heeft een vrijkaart. (Gelach). Spr. dring voorts aan op een 5-minutendienst voor de autobuslijn, inplaats van een 10-minutendienst.

De heer Van Meurs wijst er op, dat bewoners van de Pretorius- en Transvaalbuurt nu reeds klagen geen plaats in de autobus te kunnen krijgen. Wanneer de lijn nu nog naar het Betondorp wordt doorgetrokken, zal het nog erger worden. Wanneer voorts lijn D doorgetrokken wordt naar het Thorbeckeplein, zullen bewoners van de binnenstad de autobus gebruiken in plaats van de tram om zich in de stad te verplaatsen. Derhalve zullen de bewoners van het Betondorp geen plaats in de autobus krijgen. Wel zou Spr. gaarne een verbinding van het Betondorp met de binnenstad zien langs den Middenweg, in welke richting hij een vraag tot B. en W. richt met het verzoek deze mogelijkheid te overwegen. Ook dringt Spr. er op aan op lijn A tijdens de spitsuren meer wagens te laten rijden en de auto’s van luchtbanden te voorzien, voor zoover dit nog niet het geval is.

De heer Wijnkoop wijst er op, dat de lijnen in Amsterdam zeer kort zijn en in verschillende andere plaatsen zeer lang. Waarom dit verschil? Men mag althans de menschen niet dwingen ook nog van een tram gebruik te maken. En als men de lijnen wil verlengen, dan mag men toch zeker wel extra bussen inleggen.

Ook Spr. dringt aan op tariefsverlaging. De heer Baas sluit zich aan bij het door den heer Wijnkoop gesprokene. Spr. stemt toe, dat het verkeer wel eens moeilijkheden opleveren zou; zoo zou de doortrekking van lijn D groote bezwaren met zich brengen. Docht het vraagstuk moet nu toch eens opgelost worden. Dat een bewoner van de binnenstad van een autobus gebruik zou maken, ook indien hij niet in het Betondorp zijn moet, gelooft Spr. niet, omdat hij niet gaarne onnoodzakelijk “half ziek” zou willen zijn, zooals de heer Van Meurs zeide. Wel zou Spr. willen vragen of lijn D in het Betondorp niet een andere standplaats zou kunnen krijgen. […]

De heer Baas zet zijn rede voort. Hij zou gaarne de eindhalte van lijn D naar den Brink in het Betondorp verplaatst zien. Nu is deze geheel aan het eind. En lijn A zou Spr. gaarne op den anderen wagen naar het Betondorp geleid zien.

De heer Wibaut verklaart, dat de praktijk geleerd heeft, dat de exploitatie met luchtbanden ongeveer het dubbele kost. Toch zal de dienst luchtbanden geheel invoeren, daar de passagiers hierdoor meer gediend worden. B. en W. namen echter het standpunt in en zullen dat blijven doen, dat het autobusverkeer dienen moet tot aanvulling van het tramverkeer. Wanneer lijn A doorgetrokken wordt naar het Betondrop, zal de Transvaalbuurt nooit plaats kunnen krijgen.

De heer Doornbusch: Dan kunnen er toch later bussen ingelascht worden.

De heer Wibaut: Als u even wacht, mijnheer Doornbusch, dan komen wij er zoo straks aan. Aan deze tafel bezitten wij niet het talent alles tegelijk te zeggen. Wij kunnen slechts één voor één de zaken afhandelen. (Vrolijkheid).

Spr. wijst er vervolgens op, dat het voornemen aanwezig is een algemeene bussenreserve in te stellen, die op de spitsuren alle lijnen zal kunnen aanvullen.

Spr. is het met den heer Baas eens, dat de toegangen tot het Thorbeckeplein bezwaren opleveren voor het stationeeren van lijn D. Daarbij komt tevens het bezwaar van een veel moeilijker exploitatie. De Commissie van Bijstand zal eens gehoord moeten worden over het plan van den heer Van Meurs. Nu lijn D eenmaal is ingesteld, zal nader overwogen moeten worden of een andere lijn ook nog noodig is.

De heer Doornbusch, repliceerend, wijst er op, dat de bwoners van de Transvaalbuurt er ongetwijfeld mee geholpen zullen zijn indien op de spitsuren extra-bussen worden ingelascht. Doch hiermede is de adressante nog niet bevredigd.

Als het meerendeel der Raadsleden inmiddels in de koffiekamer verdwenen is en de voorzitter schelt, opdat zoo aanstonds tot stemming zal kunnen worden gegaan, zegt de heer Doornbusch: Ja, ik begrijp, dat de heeren het druk hebben over den uitslag der Verkiezingen. (Vroolijkheid).

De heer Abrahams: Daar zou ik m’n mond maar over houden als ik u was.

Stemmen: Dat is al heel ongelukkig gezegd.

De heer Doornbosch zet hierna zijn verdediging voort.

In stemming gebracht wordt het voorstel-Doornbusch c.s. om lijn A en lijn D door te trekken tot het Betondorp en het Thorbeckeplein verworpen met 32 tegen 5 stemmen. Het voorstel van B. en W. om het adres in hun handen ter afdoening te stellen wordt hierna z.h.st. aangenomen.

Het besluit van de raad stuit op misnoegen van de communisten, die geuit wordt in de Tribune van 13 juli 1925.

DE VERBINDING MET HET BETONDORP

De behandeling van het adres van de Buurtvereeniging “Amsterdam-Oost” in de jongste zittingen van den gemeenteraad heeft niet veel succes opgeleverd, wat weer te danken is aan de slappe houding van de sociaal-democraten. Dat de vertegenwoordigers der kapitalistische klasse er niets voor voelen om deze nieuwe arbeiderswijk een behoorlijke verbinding met de stad te geven, behoeft geen betoog. Maar de soc. democraten? Ware het adres voor de verkiezingen behandeld, dan hadden zij zeer waarschijnlijk er toe medegewerkt een betere verbinding tot stand te brengen.

Nu lieten zij deze taak over aan de communisten, die deze zaal niet alleen op practische doch op pincipieepe gronden hebben besproken.

Wat is het voor een zotte gedachte, dat de bussen de tram geen concurrentie mogen aandoen?

Maak de bussen eenige kilometers langer en de heele kwestie is opgelost. Dat was de redeneering van onze partijgenooten Doornbusch en Wijnkoop, die voorstelden lijn D naar het Thorbeckeplein te lijn A naar het Betondorp door te trekken.

Wibaut, de man van de centen, zei: “het kan niet” en de heele Raad zei ’t hem na! Wibaut maakte de Raad lekker met de toezegging, dat hij in overweging zal nemen het denkbeeld van v. Meurs, om een nieuwe lijn vanaf het Betondorp langs den Middenweg naar de Plantage te laten rijden, in de Commissie van Bijstand te bespreken. Zooveel woorden, zooveel slagen om de arm. Daargelaten nog of zoo’n nieuwe lijn eenige verbetering zal brengen, beteekent de toezegging van Wibaut niets anders dan dat de zaak voor langen tijd van de baan is en de betondorpers het eerste jaat nog van een goede verbinding verstoken blijven.

Onze stadsbestuurders vinden de verbinding vooralsnog voldoende. Voor deurwaarders, die de belastingcenten bij de betondorpers komen weghalen, is de verbinding immers goed genoeg?

En welke kopzorg heeft Wibaut anders?

Geen luchtbanden voor Betondorp dus, voorlopig.

Categorieën
Geschiedenis Geschiedenis 1924-1930

Het Landbouwkwartier

In 1925 wordt Betondorp het Landbouwkwartier genoemd. Dit is bijvoorbeeld het geval in 1925, wanneer de Bond van Ambtenaren in dienst van de Nederlandsche Spoorwegen het heeft over het opnemen van het Landbouwkwartier in de loonkring van Amsterdam. Ook een lokaal advertentiekrantje uit 1925 spreekt over het Landbouwkwartier. Zelfs in vergaderingen van de Gemeenteraad van dat jaar komt de term voor. Wonderlijk is dat de term na 1925 volledig verdwenen is uit de media en niet meer voor Betondorp gebruikt wordt.