Vredesstrijd

Betondorp is in de jaren dertig zeer geschikt om te colporteren en daar wordt dan ook door allerlei organisaties gebruik van gemaakt. Zo demonstreert de Jongeren Vredes Actie op zaterdag 5 maart 1932 in Betondorp. Men spreekt om 14.30 uur af bij de bushalte van de Duivendrechtse brug. Hoe de colportagetocht afgelopen is weten we jammer genoeg niet. Het bericht vonden we terug in Vredesstrijd, orgaan van de Jongeren Vredes Actie van 18 februari 1932.

Jan Sitters raakt in conflict

Jan Sitters uit Betondorp – we zijn helaas niet zeker over zijn woonadres – raakt begin 1932 in een ernstig conflict met het bestuur van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond. Zoals de lezers bekend zal zijn, is deze bond gelieerd aan de socialistische SDAP (tegenwoordig PvdA). Sitters nu beschuldigt het bondsbestuur van de diamantbewerkers er in het Weekblad van, niet alleen niet op tijd afgetreden te zijn, maar te heulen met de SDAP, die volgens hem op oorlog aanstuurt vanwege hun felle geluiden tegen het opkomend fascisme. Dit wordt hem niet in dank afgenomen en er wordt behalve door het bestuur door diverse lezers gereageerd. We vallen in de discussie met de ingezonden brief hieronder, uit het Weekblad van 29 januari 1932, en ondertekend door G.J. de Groot.

Aan Jan Sitters

Na lang aarzelen ga ik er toe over, uiting te geven aan mij meening over de wijze, waarop sommige lieden probeeren zieltjes te winnen door de C.P. [Communistische Partij, red.]. Van geijkte communisten is mij dat niet vreemd, maar dat jij daaraan meedoet Jan, is bedroevend, vooral als men weet, dat jij vele jaren als sociaal-democraat geleefd en gehandeld hebt. Dat je uit overtuiging een andere richting hebt gekozen, is tot daar aan toe, maar dat jij, na de opvoeding, genoten in de S.D.A.P., je kunt verlagen tot verdachtmakingen, gaat alle perken te buiten.

Je hebt, toe je pas communist waart, mij willen overtuigen, dat ik met mijn revolutionnaire sentiment niet thuis behoorde waar ik was, doch mij aan jullie zijde moest scharen; dit geschiedde onder bijvoeging van De Socialist [krant van de OSP, Onafhankelijke Socialistische Partij,red.; de OSP ontstond toen De Socialist, een uitgave van de linkse stroming in de SDAP, door de partij werd verboden].

Je hebt je toen niet van je beste zijde laten kennen; ik had daar geen gewag van gemaakt, doch waar je nu in het antwoord aan J. Veenman, je er weer van bedient, vind ik het goed (tevens als bewijs van mijn beroering), dat zulke dingen eens bekend raken.

1e. Heb je in dat schrijven aan mij, het Bestuur van den A.N.D.B. beschuldigd ons te hebben verkocht aan de A.J.V.

2e In het Weekblad wilde je niet schrijven, omdat je de democratie van het Bestuur zoo laag hadt aangeslagen, dat het jouw schrijven toch niet zou publiceren.

Ik heb je toen alle kans geschreven, om alles te schrijven wat op je hart lag, met waarborg van publiciteit. Je hebt je er toen afgemaakt, door voor te geven, dat de tijd te ver was verstreken en dat jij je niet liet drijven door mij, terwijl jij degeen was, die de zaak drijvend had gemaakt; je maakte excuses over de te lage democratie van ons Bestuur, stuurde mij niettemin toch De Socialist, met een brief, dat je mij nog wel eens wilde spreken, omdat je overtuigd waart, dat je mij, in figuurlijken zijn, op polemisch terrein dus, een flink pak voor mijn broek zou geven; en zulks nog wel, waar je van te voren alle kans werd geboden.

Je hebt dus je verdachtmakingen niet tot waarheden kunnen brengen.

Nu kom je in je antwoord aan J. Veenman weer met de schandelijke aantijging (dat is de kern van alles), dat de S.D.A.P., precies als in 1914, met de heerschende klasse, den oorlog ingaat om de Natie te redden.

Jullie durft de eene groote leugen op de andere te stapelen, omdat het, als altijd, gaat tegen de S.D.A.P. Het is natuurlijk een verblijdend teeken, dat jullie niet anders hebt, dan zulke argumenten. Jij neemt als aanloop de 20 cents contributie-quaestie, drukt eens extra zwaar op de willekeur van een onwettigen Bondsraad, in de hoop, dat vele vakgenooten gehoor zullen geven aan je schandelijken onzin en gezwets. Indien je dan verder nog verkondigt, dat Rusland bouwt aan een Nieuwe Wereld en er het lichtend voorbeeld geeft, doordat het (hoort gij, Joodsche vakgenooten?) een einde heeft gemaakt aan de pogroms, denk ik met deernis en afgrijzen aan de vele politieke gevangenen, die bij tientallen zijn en nog zullen worden vermoord in die Nieuwe Lichtende Wereld.

G.J. de Groot

Jan Sitters op zijn beurt repliceert in het Weekblad van 5 februari 1932.

Repliek

Aan Gerrit de Groot

“Sommige lieden probeeren zieltjes te winnen voor de C.P.. ” begint De Groot zijn aanval op mijn persoon. Ik moet het dan verder ontgelden, omdat ik van overtuiging veranderd ben. Natuurlijk ben ik communist, zooals allen die het durven bestaan een andere meening over den gang van zaken te hebben dan de hunne. Als bewijs daarvoor voert De Groot aan, dat ik hem ongeveer een jaar geleden een persoonlijk briefje geschreven heb, naar aanleiding van een ingezonden stukje in het Weekblad van zijn hand, waarvan de inhoud, naar ik meen, was een aandringen op internationale samenwerking van de juweliers met de vakvereeniging, om ons bedrijf op gang te brengen. Precies weet ik het niet meer. Ik heb hem toen dien z.g.n. compromitteerenden brief geschreven, waarvan hij thans gewag maakt. Ik kan echter op deze zaak niet ingaan, omdat ik na een jaar niet precies meer weet wat de inhoud is geweest. Echter ontken ik ten stelligste, de woorden te hebben gebruikt, waarvan jij, Gerrit, mij beticht. Dat is ook niet noodig. Wel wil ik verklaren, het niet met de loonpolitiek eens te zijn, of te zijn geweest. Mag dat niet? Moet je daarvoor communist zijn? Tijdens de onzalige status quo van 1919 was ik ook daar een fel tegenstander van. De kameraden uit het personeel Robijns kunnen dat bevestigen. Het kwam duidelijk tot uiting, toen wij, bij een poging tot verkrijgen van betaling der feestdagen, ons eigen Bestuur tegen ons hadden.

De 20 cent contributie neem ik als aanloop voor mijn aanval op de S.D.A.P., in de hoop, dat velen gehoor zullen geven aan mijn schandelijken onzin en gezwets, aldus De Groot. Je hebt niet goed gelezen, Gerrit. Mijn eerste stukje behandelde alleen een zuiver organisatorische zaak; met geen woord heb ik over algemeene zaken gerept.

Veenman heeft in zijn aanval op mijn persoon de algemeene zaak er bij gehaald; eerst daarna meende ik dat het plicht was datzelfde te doen, bekeken van een ander gezichtspunt. Maar ook jij, Gerrit, evenals Veenman en H.P. [Henri Polak, red.], ik wil dat nadrukkelijk constateeren, gaan met geen enkel woord op de hoofdzaak in. Ik herhaal mijn meening: het tekort in het pensioenfonds kan uit de Bondshuishouding worden gehaald.

Thans iets over mijn schandelijke aantijging, dat de S.D.A.P. (bedoeld is de soc.-dem.) evenals in 1914 met de heerschende klasse mee den oorlog ingaan zal. Wat zijn de feiten? In 1914 brak de oorlog uit. De socialistische partijen van alle landen schaarden zich achter hunne regeeringen, onder het motief: wij hebben den oorlog niet kunnen verhinderen, maar wij willen ook niet de nederlaag van ons eigen land. Een uitzondering dient te worden gemaakt voor Oostenrijk, waar het parlement gedurende nagenoeg den geheelen oorlog niet bijeen geweest is en dus de partij geen kleur behoefde te bekennen. En eere wien eere toekomt: in Duitschland was het Karl Liebknecht, die tegen eigen regeering stelling nam. Waardoor hij zich de vijandschap van zijn eigen partij op den hals haalde. Niet in 1914, bij het uitbreken van den oorlog, doch later; waarmede ik geenszins bedoel Liebknecht’s daar te kleineeren; doch geschiedenis is geschiedenis. Alleen de 5 Russische Doema-leden der Bolsewiki stemden gesloten tegen hunne regeering, waarvoor zij levenslang naar Siberië verbannen werden, doch met de revolutie in vrijheid zijn gesteld.

Troelstra zegt in zijn gedenkschrift Storm over deze zaak: “Wij zijn door den oorlog overrompeld, laten wij zorgen, niet ook door den vrede overrompeld te worden.” Doch alle pogingen daartoe aangewend zijn finaal mislukt. Over de Conferentie van Stockholm 1917, die ongeveer een half jaar duurde, schrijft Troelstra in Storm op blz. 149: “In naam is de conferentie uitgesteld, in werkelijkheid was zij mislukt.” En verder op dezelfde blz.: “Maar al te duidelijk voelde ik, dat de grootste hindernis was opgeworpen door de socialistische partijen zelf, die door haar verbond met de imperialistische regeeringen haar socialistische kracht hadden verlamd.” Deze zaak moest mislukken. Zij, de socialisten, kwamen niet als socialisten die hun klasseplicht begrepen. Zij kwamen na ruim drie jaar oorlogsvoeren elk voor eigen land, als precies dezelfde nationalisten, die zij in 1914 bleken te zijn.

Heeft bij het einde van den oorlog de Sociaal Democratie zoodanig haar plicht als klassepartij vervuld, waardoor jij, Gerrit, het recht hebt, mij van lastertaal te beschuldigen? In Duitschland is de revolutie in een burgerlijke democratie verloopen, ondanks de heldhaftige poging van Liebknecht en Rosa Luxemburg om haar in een proletarische om te zetten, een poging, welke deze beide helden met den dood hebben betaald. Als wij een balans opmaken tusschen de beide landen, waar de revolutie uitbrak, dat is Rusland en Duitschland, wat zien zij dan? Duitschland in 1918 rijp om af te rekenen met zijn eigen heerschers, thans rijp voor den revanche-oorlog, zes millioen werkloozen, de werkenden aan de rand van het pauperisme. Rusland wel afgerekend met zijn klassevijanden, geen werkeloozen, stijgende geboortecijfers, dalende sterftecijfers, stijgende welvaart. Het is waarlijk niet moeilijk te zien naar welke zijde de weegschaal doorslaat. Hoe is in Nederland de schoone kans tot een grijpen naar de macht gebruikt? Troelstra begreep de situatie en handelde er naar in zijn bekende rede, gehouden in de Tweede Kamer, November 1918, waar hij vertolkte wat in de massa leefde.

Wat gebeurde echter nadat Troelstra gesproken had? Op blz. 213 van Storm staat: “Een lid der fractie (soc.-dem. J.S.) echter gaf dadelijk daarna in een gesprek met den heer Hans, den parlementairen redacteur van De Telegraaf, te kennen, dat een belangrijk deel der fractie het niet met mij eens was. De heer Hans schrijft daarover in zijn brochure over de Novemberdagen van 1918: “Wij waren de eersten, die dit vernamen, en toen wij het aan verschillende burgerlijke Kamerleden meedeelden, bracht dit bericht werkelijk ontspanning. Aan die ontspanning bestond dus wel behoefte.” Tot zoo ver Storm. De rest, Gerrit, laat ik zwemmen; ik kan niet te land uitweiden. Alleen nog dit: In den Japanschen rooftocht in Mandsjoerije (Shanghai is er reeds bijgekomen) staat de Japansche sociaaldemocratie onder allerlei formules achter de regeering. Met dit alles tot lasterlijken onzin te verklaren, kun je deze feiten nog niet wegpraten, Gerrit. Ik moet zijn meening, geuit in mijn stuk tegen Veenman, handhaven. Tenzij jij, Gerrit, mij van het tegendeel kunt overtuigen.

Nu nog een paar woorden over het onderschrift van H.P. [Henri Polak, red.]. U is werkelijk een oolijkerd. U zegt u niet in deze polemiek te zullen mengen, doch doet het telkens; eerst hebt u Veenman goed terzijde gestaan, thans is u weer een waardig secondant van De Groot.

Ik, arme dwaas, weet niet eens dat in Nederland geen oorlog is geweest. Maar denkt u, dat, waar bij het neutraliteitsstandpunt van de nationale gedachte de nationale geschillen overheerschen, dat bij oorlog niet het geval zal zijn? In veel erger mate natuurlijk. U erkent, dat Rusland geen pogroms meer duldt. Heb ik beweerd dat je daarom communist moet zijn? Ik heb het slechts als een groote verdienste van de Russen aangemerkt. Natuurlijk is hiermee het anti-semitisme niet uitgeroeid. Anti-semitisme is niet zoo spoedig uit te roeien. Dat heeft rood Weenen nog kortelings bewezen, waar de Joodsche studenten van de Universiteit zijn weggeslagen. Verder komt u met Cornelissen ten tooneele. Maar, zou ik u willen vragen, kan je daarmee eigen huid schoonwasschen?

Kameraadschappelijk groetend,

J. Sitters

Jan Sitters slaat de spijker behoorlijk op de kop. Er komen nog enige zwakke reacties, waaronder van Henri Polak, maar ik zou op mijn beurt willen zeggen dat de door Sitters aangeraakte problematiek vandaag de dag nog steeds levensgroot bestaat. Om de economische oorlog die de Westerse natiestaten tegen landen voeren die niet mee kunnen komen ten einde te brengen, zullen we het nationalisme moeten zien te overwinnen, het gaan voor het eigenbelang van de BV Nederland. Natuurlijk zal dit alles met beleid moeten gebeuren, maar zonder internationaal, globaal beheersmiddel zullen we de huidige crisis op het gebied van mens en natuur niet overwinnen. En dat is ook in het belang van ons, die het in Nederland relatief zo goed hebben. De negentiende-eeuwse natiestaten zijn volkomen contra-productief bij het oplossen van de milieuproblematiek, die globaal is. Wij hebben internationalisme nodig, alhoewel wat mij betreft niet zonder meer in socialistische vorm. Overigens fuseerde de OSP in 1935 met de RSP van Henk Sneevliet, de internationalist en Trotskist, die in de Tweede Wereldoorlog door de nationaalsocialisten werd vermoord vanwege zijn opvattingen. Vandaag de dag is zijn naam verbonden met een straat in Slotervaart. Verder horen we weinig meer van het internationaal socialisme, dat zijn slagkracht bijna volledig verloren lijkt te hebben. Maar dat is een ander onderwerp.

Jan Sitters op zijn beurt komt in steeds communistischer vaarwater terecht. Hij ziet de oorlog al van verre aankomen en in diverse ingezonden blijft hij wijzen op de voor hem voor de hand liggende keuze: voor de Soviet Unie en tegen het fascisme. Daarbij verheerlijkt hij de Soviet Unie steeds uitbundiger, waarbij hij tegenspel krijgt door ingezonden brievenschrijvers die het boekje van André Gide, Terug uit Sowjet-Rusland aanhalen. Sitters, die vermoedelijk een Joodse achtergrond heeft, overleeft de Tweede Wereldoorlog en blijft nog jaren actief in de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, waarvoor hij ook al voor de oorlog – ook tijdens het hoogtepunt van de conflicten – getrouw geld inzamelt.

Alarm

De Alarmisten (de Alarmgroep) vormen een beweging op anarchistische grondslag. Hun voorman is in 1931 Siem Korper, die later in de Spaanse burgeroorlog zal vechten en daarna een belangrijke rol in het verzet heeft. Eind 1931 houdt Korper een voordracht in Betondorp – vermoedelijk in het Verenigingsgebouw – waarin hij de principes van de Alarmgroep toelicht. Het Alarmisme bestrijdt onder andere het syndicalisme (vakbondsoptreden) en pleit voor directe fabrieksbezetting. De bijeenkomst in Betondorp schijnt niet druk bezocht te zijn geweest, leiden wij af uit een artikel in De arbeider van 19 december 1931. Siem Korper woonde in de oorlog in ieder geval aan de Tugelaweg in de Transvaalbuurt.

De Jeugdherbergenfilm

Uit De padvindster, 1931, no. 10

DE JEUGDHERBERGENFILM

Een film over Jeugdherbergen. Als je het hoort, stel je je zelf er zoo weinig van voor en ik voelde er ook hoegenaamd niets voor om er naar toe te gaan. Om half 8 arriveerde ik in de jeugdherberg in de Schinkelstraat te Amsterdam, waar een thee aangeboden werd. Er waren menschen van allerlei Jeugdbewegingen en daar voelde je je direct thuis. Na bezichtiging van de Jeugdherberg moesten we ons verzamelen in 2 groote touring cars, die ons bracht naar het Betondorp waar in het Vereenigingsgebouw de film zou worden vertoond.

Dr. Gunning opende den avond. Toen we eindelijk de lang verwachte film zagen, overtrof het aller verwachtingen. We zagen al de mooie plekjes van ons Nederland waar een Jeugdherberg gevestigd is. Uit deze film sprak wel het meest de romantiek die er uit gaat van het buitenleven. Ik geloof zeker dat wij allen toch ook wel voor den romantiek naar een kamp gaan of een trektocht houden.

Als je ’s avonds na je werk, na een speurtocht, na een wandeling bij elkaar zit, zwijgend, dan staar je voor je uit, je ziet je mooie omgeving, je voelt de heerlijkheid, je voelt je intens gelukkig dat je dit alles meemaakt. Dan ga je fantaseeren. Je wordt romantisch.

In deze film spelen verschillende jeugdvereenigingen mee, de A.J.C., de N.P.V. en het N.M.G. Je ziet deze jonge menschen vrolijk trekkend van de eene jeugdherberg naar de andere. Zij helpen elkaar voordat zij op weg gaan en laten alles schoon achter. Welke afdeeling Padvinsters hierin meespeelde weet ik niet. Zij speelden prettig en vlot en ik vond het heerlijk in de zaal te hooren mompelen: “Kijk Padvindsters.

Mocht deze film in jullie stad of dorp vertoond worden, dan zou ik jullie aanraden haar te gaan zien. Zij kan ook gehuurd worden. Misschien doet jullie afdeeling het wel eens.

B.P.

Stempelen

De Amsterdamse Arbeidsbeurs, vergelijkbaar met het latere Arbeidsbureau, wordt in 1917 op de Passeerdersgracht in de Jordaan geopend. Dat is een eind van Betondorp vandaan. In het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond van 18 september 1931 klaagt een zekere B. Boas over de afstand en pleit voor een bureau in het gebouw van de Nederlandse Diamantbewerkersbond in de Plantage Franselaan, tegenwoordig Henri Polaklaan.

De Arbeidsbeurs

Deze instelling, die voor ons absoluut geen nut afwerpt, behalve dan de kans naar de werkverschaffing gezonden te worden, veroorzaakt ons overigens niets dan last. Eenmaal in de veertien dagen ben je verplicht je kaart te laten stempelen. Dat is zoo erg niet, vooral niet voor hen, die in het centrum der stad wonen. Maar als jij bijvoorbeeld in Oost woont, in het Betondorp, dan is het erger, vooral wanneer je geen twee dubbeltjes hebt; en dat komt nog al eens voor. Ook zijn er menschen, die zulke afstanden niet kunnen loopen door een gebrek aan de beenen, of den leeftijd, of niet behoorlijk gekleed zijn. Nu wilde ik het volgende vragen: Is het nu niet mogelijk, het stempelen der kaarten in het centrum der stad te laten geschieden, in den omtrek van het Bondsgebouw, of het liefst in dat gebouw? Misschien is er wel een plaatsje voor te vinden. De heele zaak is twee uren per dag. Als de ambtenaar in plaats van die twee uren zitting in de Arbeidsbeurs, in het bondsgebouw zitting hield, zouden heel wat vakgenooten van een last verlost zijn. Ik geef den desbetreffenden ambtenaren in overweging eens na te gaan of bovenstaand idee voor uitvoering vatbaar is.

B. Boas

De Volksuniversiteit te Betondorp

In 1929 opent de Volksuniversiteit Amsterdam een dependance in Betondorp, in het Vereenigingsgebouw op de Brink. De eerste drie lessen vinden plaats op resp. woensdag 9, 16 en 23 oktober 1929. De prijs voor deelname aan de lessen is 60 cent en spreker is Mr. M.J.A. Moltzer. Thema van de cursus is Socialisme, Religie en Religieus Socialisme.

Moltzer behoort net zoals Willem Banning en mevrouw Henriëtte Roland-Holst tot de Religieus Socialisten. Deze behoren op hun beurt meestal tot de S.D.A.P.

Vegetariërs aller landen, verenigt u

Yge Foppema op latere leeftijd
C.J. van Borrendam

Op 13 maart 1929 vindt in het Vereenigingsgebouw op de Brink een propaganda-avond plaats van de Nederlandsche Vegetariërsbond. Sprekers zijn bondsvrienden en bekende vegetariërs Yge Foppema (De ethische Vegetariër en het vivisectievraagstuk) en C.J. van Borrendam (Waarom vegetarisme?).

De opkomst op de avond valt echter erg tegen, zo wordt betreurd in de Vegetarische bode. Er is weinig belangstelling, hoewel enige leden hun best hebben gedaan in de wijk te werven.

In 1935 vinden we in de Vegetarische bode het bericht dat men voor twee weken op zoek is naar een propaganda-etalage in Betondorp. Of die zoektocht geslaagd is vertelt de geschiedenis verder niet.

Betondorp toch bij Diemen?

Zoals bekend hoort de Nederlands Hervormde kerk in de Watergraafsmeer nog steeds bij Diemen, wanneer annexatie van de polder door de Gemeente Amsterdam plaatsvindt. Op 1 november 1925 maakt de Nederlands Hervormde Watergraafsmeer zich los van Diemen en wordt een zelfstandige gemeente, met name met het oog op de inwoners van het nieuwe Betondorp.

De Nederlandsche Christen Vrouwen Bond heeft dat in 1928 nog niet meegekregen. Zij blijven Betondorp als een stukje Diemen zien. Op een vergadering van de Centrale Raad van deze bond op 20 november 1928 komt het onderwerp weer aan de orde. Uit het vergaderverslag uit de Christenvrouw van 1 december 1928:

Bij de rondvraag vertelt mevr. Ringeling van een onaangename ontmoeting in een electrischen trein, waar een vrouwencompartiment ontbreekt. De presidente heeft ook te klagen en zegt toe, dat de Bond zich tot de bevoegde autoriteiten zal wenden met de klacht.

Verder deelt Mevr. Ringeling mee, dat Diemen zelfstandig wordt. De afdeeling Amsterdam zou de beslissing omtrent het Betondorp nog een jaar wenschen uit te stellen. Mevr. Diepenhorst handhaaft haar meening in het rapport over Diemen, dat het Betondorp bij Diemen moet worden gevoegd.

Mevr.. Ringeling zegt toe deze kwestie nogmaals in haar bestuur te zullen brengen.

In januari 1929 wordt de discussie voortgezet aan de hand van een ingezonden brief van mevrouw Heukels van Amsterdam, waarvan we de inhoud helaas niet kennen.

Ook de katholieken in deze periode beschouwen Betondorp vanwege de kerkelijke achtergrond van de Watergraafsmeer als bij Diemen te behoren.

Mevrouw v.d. Berg

Uit De Proletarische Vrouw, 14-11-1928

Amsterdam. (Groep VI). Zaterdagmorgen, 27 October j.l., stierf één onzer leden, mevr. v.d. Berg. Woensdag 31 October werd zij begraven. Van de leden uit het Betondorp was een mooie krans met roode chrysanten op haar graf. Ongeveer 20 vrouwen kwamen ’s morgens getuigen van hun deelneming. Ze was één der velen, die het Socialisme vurig dienden, maar nooit op den voorgrond treden.

Rust zacht, Zuster!